ECLI:NL:RBDHA:2025:25578

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
NL25.40457 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen uitspraak over niet-ontvankelijkheid bezwaarschrift in vreemdelingenzaak

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 30 december 2025 uitspraak gedaan over het verzet van de opposant tegen een eerdere uitspraak van 1 oktober 2025. De opposant had verzet ingesteld omdat zijn beroep tegen de niet-ontvankelijkheid van zijn bezwaarschrift ongegrond was verklaard. De rechtbank heeft het verzet behandeld op 3 december 2025, waarbij de opposant en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank heeft vastgesteld dat het bezwaarschrift van de opposant te laat was ingediend, aangezien de bezwaartermijn op 14 november 2024 was aangevangen. De rechtbank oordeelde dat de opposant zijn bezwaarschrift niet tijdig had ingediend en dat de vereenvoudigde behandeling van zijn beroep niet in strijd was met het recht op een eerlijk proces zoals vastgelegd in artikel 6 van het EVRM. De rechtbank concludeerde dat de gronden van het verzet niet slagen en dat de eerdere uitspraak in stand blijft. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling en verklaarde het verzet ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40457 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant] , opposant

[V-nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 oktober 2025 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Inleiding

Opposant heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 oktober 2025 waarin zijn beroep na vereenvoudigde behandeling (kennelijk) ongegrond is verklaard.
De rechtbank heeft het verzet op 3 december 2025 op zitting in Breda behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: opposant, de gemachtigde van opposant en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

1. Artikel 8:54 van de Awb [1] biedt de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening van het beroep [2] als het eindoordeel in de zaak buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of de rechtbank in de beroepsprocedure terecht tot vereenvoudigde behandeling van het beroep is overgegaan. Dit betekent dat de beoordeling beperkt is tot de vraag of er in de beroepszaak terecht zonder zitting uitspraak is gedaan. De rechtbank gaat in deze uitspraak dus niet in op de oorspronkelijke beroepsgronden.
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van 1 oktober 2025 het beroep van opposant ‘kennelijk’ ongegrond verklaard. Het beroep van opposant was gericht tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaarschrift van 25 maart 2025. Dat bezwaarschrift was gericht tegen het besluit van 13 november 2024 tot intrekking van zijn verblijfsvergunning. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder het bezwaar van opposant niet ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat opposant zijn bezwaarschrift te laat heeft ingediend en het niet-tijdig indienen van het bezwaarschrift niet verschoonbaar is.
3. Opposant heeft aangevoerd dat de rechtbank met de vereenvoudigde behandeling van zijn beroep in strijd heeft gehandeld met artikel 6 van het EVRM [3] en met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Hij stelt dat hij zijn bezwaarschrift wel tijdig heeft ingediend. Volgens hem is de bezwaartermijn pas aangevangen op het moment dat hij het besluit van 13 november 2024 heeft ontvangen. Opposant merkt daarbij op dat de AVIM het besluit van 13 november 2024 pas op 24 maart 2025 aan hem heeft uitgereikt. Het besluit dat verweerder op 13 november 2024 per post heeft toegezonden, heeft hij niet ontvangen omdat hij zich heeft moeten laten uitschrijven op dit (post)adres wegens overbewoning.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Artikel 6 van het EVRM regelt het recht van een ieder op een eerlijk proces. De mogelijkheid tot vereenvoudigd behandelen van een beroep levert op zichzelf geen belemmering op van dat eerlijke proces. De Afdeling [4] heeft al meerdere malen geoordeeld [5] dat een uitspraak op grond van artikel 8:54 van de Awb weliswaar een beperking is op toegang tot de rechter, maar dat dit niet in strijd is met artikel 6 van het EVRM. De beperking van het recht om te worden gehoord wordt namelijk door de mogelijkheid van artikel 8:55 van de Awb, om in verzet alsnog op zitting te worden gehoord, met zodanige waarborgen omkleed dat het recht op een eerlijke procesvoering niet in zijn essentie wordt aangetast.
6. De rechtbank is in haar uitspraak van 1 oktober 2025 terecht ervan uitgegaan dat opposant zijn bezwaarschrift van 25 maart 2025 te laat heeft ingediend, aangezien de bezwaartermijn op 14 november 2024 is aangevangen. De beschikking van 13 november 2024 is met aangetekende post verstuurd naar het bij verweerder bekende adres van opposant en is daarmee op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt [6] .
7. Opposant ontkent niet dat hij in het verleden het bij verweerder bekende adres heeft gebruikt als post- en verblijfadres. Hij heeft ook erkend dat hij is vergeten om zijn nieuwe woonadres aan verweerder door te geven. Het Vb [7] schrijft voor dat een verandering van woon- of verblijfplaats binnen vijf dagen aan verweerder moet worden doorgegeven. Het had op de weg van opposant gelegen om de wijziging van zijn woon- of verblijfplaats door te geven, ook in het geval hij moest worden uitgeschreven op het adres in Nijmegen vanwege overbewoning, zoals hij in beroep heeft gesteld. Dat hij dat heeft nagelaten, moet voor zijn risico blijven. Dat opposant het onredelijk vindt dat er wordt vastgehouden aan formaliteiten, zonder rekening te houden met persoonlijke omstandigheden, heeft hij in beroep ook al aangevoerd en daarop is de rechtbank ingegaan in de aangevallen uitspraak van 1 oktober 2025. Opposant heeft in zijn verzetsgronden geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de rechtbank niet tot vereenvoudigde behandeling van het beroep heeft kunnen komen. De rechtbank heeft met de vereenvoudigde behandeling van het beroep niet in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.
8. In het besluit van 13 november 2024 is aangegeven dat opposant geen verblijfsrecht meer heeft in Nederland en dat hij moet terugkeren naar Angola. Opposant heeft ter zitting een beroep gedaan op het beginsel van non-refoulement. Het beginsel van non-refoulement houdt in dat iemand niet mag worden teruggestuurd naar een land waar zijn of haar leven of vrijheid ernstig wordt bedreigd. Opposant heeft gewezen op de arresten Ararat [8] en Adrar [9] en op IB 2025/47 [10] . De rechtbank stelt vast dat opposant daarover in zijn verzetschrift geen gronden naar voren heeft gebracht. Opposant heeft de rechtbank ter zitting verzocht om ambtshalve te beoordelen of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen zijn uitzetting. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding. Opposant heeft namelijk geen argumenten aangedragen op grond waarvan moet worden aangenomen dat terugkeer naar land van herkomst Angola voor hem niet mogelijk of onveilig is.

Conclusie en gevolgen

9. De verzetsrechter concludeert dat de rechtbank terecht tot vereenvoudigde behandeling van het beroep is overgegaan. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 1 oktober 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 30 december 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht
2.Dat wil zeggen: op basis van de stukken, zonder zitting.
3.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
5.zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3918
6.artikel 3:41, eerste lid, van de Awb
7.Vreemdelingenbesluit 2000, artikel 4.37
8.Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892
9.Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647
10.Informatiebericht 2025/47 ‘De gevolgen van het Ararat-arrest voor reguliere aanvragen’