ECLI:NL:RVS:2023:3918

Raad van State

Datum uitspraak
29 september 2023
Publicatiedatum
24 oktober 2023
Zaaknummer
202201357/3/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Doorbreking appelverbod wegens schending fundamenteel recht op eerlijk proces in bestuursrechtelijke procedure

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 29 september 2023 het verzet van opposant gegrond verklaard tegen een eerdere beslissing waarbij de Afdeling zich onbevoegd had verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep. De Afdeling oordeelde dat het appelverbod ten onrechte was toegepast omdat het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro, was geschonden.

De zaak betrof een bestuursrechtelijke procedure waarin opposant tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam hoger beroep had ingesteld. De Afdeling had zich eerder onbevoegd verklaard omdat tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb geen hoger beroep mogelijk is. Opposant stelde verzet in tegen deze onbevoegdverklaring.

In de verzetprocedure werd vastgesteld dat opposant niet ter zitting was gehoord ondanks zijn verzoek daartoe, en dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk had behandeld maar niet-ontvankelijk had verklaard wegens misbruik van recht. Hierdoor ontbraken de noodzakelijke waarborgen voor een eerlijk proces. De Afdeling concludeerde dat dit een fundamentele schending van het recht op een eerlijk proces inhoudt en dat het appelverbod daarom doorbroken moest worden.

De eerdere uitspraak van 6 juli 2022 werd vernietigd en de behandeling van het hoger beroep werd hervat. Hiermee wordt erkend dat het recht op toegang tot de rechter en een eerlijke procesvoering essentieel zijn, ook bij vereenvoudigde procedures en verzet tegen onbevoegdverklaringen.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, de eerdere onbevoegdverklaring vervalt en de behandeling van het hoger beroep wordt hervat.

Uitspraak

202201357/3/A3.
Datum uitspraak: 29 september 2023

AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van:
[opposant], wonend te Zwijndrecht,
opposant,
tegen de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 in zaak nr. 202201357/2/A3.
Procesverloop
Bij uitspraak van 6 juli 2022, in zaak nr. 202201357/2/A3, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling zich onbevoegd verklaard om van het hoger beroep van [opposant] tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, in zaak nr. 21/594, van 23 februari 2022 kennis te nemen. De uitspraak van de Afdeling is aangehecht.
Tegen deze uitspraak is [opposant] in verzet gegaan.
Overwegingen
1. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
2. De Afdeling kan zich alleen zonder zitting onbevoegd verklaren om van een hoger beroep kennis te nemen als dat ‘kennelijk’ het geval is (artikel 8:54 van Pro de Awb). Die term ‘kennelijk’ betekent dat er geen twijfel mogelijk is dat de Afdeling niet mag beslissen op het hoger beroep, omdat zij niet de bevoegde rechter is. Als tegen zo’n ‘kennelijk’-uitspraak verzet wordt ingesteld, moet de rechter die op dat verzet beslist beoordelen: (a) of de Afdeling terecht heeft geoordeeld dat zij niet de bevoegde rechter is, en (b) of daar geen twijfel over mogelijk is. Daarbij neemt de rechter alle argumenten van de indiener mee die te maken hebben met die onbevoegdverklaring. Dat kunnen ook nieuwe feiten of nieuwe argumenten zijn die daar over gaan.
3. In de uitspraak waartegen [opposant] in verzet is gegaan heeft de Afdeling zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep van [opposant], omdat tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb, geen hoger beroep kan worden ingesteld.
In verzet heeft [opposant] aangevoerd dat het verzet gegrond moet worden verklaard, omdat de gronden uit het hogerberoepschrift niet zijn besproken. In het hogerberoepschrift heeft [opposant] onder andere aangevoerd dat de fundamentele rechtsbeginselen, waaronder toegang tot de rechter, worden geschonden en dat hij ontvankelijk dient te worden verklaard.
4. In verzet onderzoekt de Afdeling of zij terecht heeft geoordeeld dat zij niet bevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep en of daar geen twijfel over mogelijk is.
De uitspraak waartegen [opposant] hoger beroep heeft ingesteld betreft een uitspraak op verzet. In de uitspraak van 6 oktober 2021 waartegen [opposant] in verzet is gegaan heeft de rechtbank het beroep van [opposant] op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb vereenvoudigd behandeld, waardoor [opposant] niet ter zitting is gehoord. De rechtbank heeft het door [opposant] ingestelde verzet daartegen niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat [opposant] door het herhaaldelijk instellen van rechtsmiddelen in evident kansloze zaken, waaronder het verzet en mede in het licht van de vele door opposant gevoerde procedures en de wijze van procederen, misbruik maakt van recht. De rechtbank heeft deze uitspraak gedaan zonder nadere zitting, waardoor [opposant] niet is gehoord, ondanks zijn verzoek daartoe in het verzetschrift.
4.1.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:84) is een uitspraak op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb een beperking op toegang tot de rechter, maar is het niet in strijd met artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). De beperking van het recht om te worden gehoord wordt namelijk door de mogelijkheid van artikel 8:55 van Pro de Awb, om alsnog ter zitting te worden gehoord, met zodanig waarborgen omkleed dat het recht op een eerlijke procesvoering niet in zijn essentie wordt aangetast.
Echter, door het verzet tegen de uitspraak waarbij het ingestelde beroep niet-ontvankelijk is verklaard, vanwege misbruik van recht niet-ontvankelijk te verklaren, heeft bij de rechtbank geen inhoudelijke behandeling plaatsgevonden. De rechtbank heeft niet beoordeeld of zij terecht zonder behandeling ter zitting tot het oordeel kon komen dat sprake is van misbruik van recht. Omdat [opposant] in verzet niet is gehoord, ondanks zijn verzoek daartoe, en omdat tegen een uitspraak op verzet geen hoger beroep mogelijk is, mist [opposant] ook de kans om een beoordeling te krijgen of zijn beroep terecht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Daardoor is de beperking van het recht om te worden gehoord niet meer met de benodigde waarborgen omkleed en is het recht op een eerlijke procesvoering in zijn essentie aangetast. De Afdeling is van oordeel dat daarmee een fundamenteel rechtsbeginsel, dat van een eerlijk proces, is geschonden. Dat is in strijd met artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Om die reden bestaat grond voor doorbreking van het appelverbod. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2022, zaaknummer 202201354/2/A3.
4.2.
In de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 is ten onrechte geoordeeld dat de Afdeling niet bevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep van [opposant].
Het verzet is gegrond. Dit betekent dat de uitspraak waartegen het verzet is gericht vervalt. Dat is de uitspraak van 6 juli 2022, in zaak nr. 202201357/2. De behandeling van het hoger beroep wordt hervat.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het verzet gegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.
w.g. Venema
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Klingers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2023
341

BIJLAGE

ALGEMENE WET BESTUURSRECHT

Hoofdstuk 8. Bijzondere bepalingen over de wijze van procederen bij de bestuursrechter
Titel 8.2. Behandeling van het beroep in eerste aanleg
Afdeling 8.2.4. Vereenvoudigde behandeling
Artikel 8:54
1. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:
a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is,
[…]
2. In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel 8:55, eerste lid.
Artikel 8:55
1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen bij de bestuursrechter.
[…]
4. Alvorens uitspraak te doen op het verzet, stelt de bestuursrechter de indiener van het verzetschrift die daarom heeft gevraagd, in de gelegenheid op een zitting te worden gehoord, tenzij hij van oordeel is dat het verzet gegrond is. In andere gevallen kan de bestuursrechter de indiener in de gelegenheid stellen op een zitting te worden gehoord.
[…]
7. De uitspraak strekt tot:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het verzet,
b. ongegrondverklaring van het verzet, of
c. gegrondverklaring van het verzet.
[…]
9. Indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Titel 8.5. Hoger beroep
Artikel 8:104
[…]
2. Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen:
[…]
c. een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid,
[…]