Overwegingen
1. Eiser heeft de Poolse nationaliteit. Verweerder heeft bij besluit van 23 oktober 2025 vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht heeft. In dit besluit is eiser medegedeeld dat hij Nederland binnen een maand moet verlaten en dat hij kan worden uitgezet als hij geen gevolg geeft aan deze verplichting. Eiser heeft geen rechtsmiddel tegen dit besluit ingesteld, zodat dit besluit -zonder rechterlijke controle- in rechte is komen vast te staan. Dit besluit is op de juiste wijze uitgereikt en eiser heeft in zijn bewaringsgehoor ook verklaard op de hoogte te zijn van dit besluit en te begrijpen dat hij moet terugkeren naar Polen. Dit besluit is de grondslag van de bewaringsmaatregel.
2. Verweerder heeft eiser in bewaring gesteld om de terugkeer naar Polen te verzekeren. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft 1 zogenoemde zware grond en 3 zogenoemde lichte gronden opgevoerd om dit te onderbouwen.
3. Eiser heeft onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats aangevoerd dat verweerder een refoulementbeoordeling had moeten maken in de bewaringsmaatregel en nu dat niet is gedaan de maatregel onrechtmatig is. Ook als ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan heeft te gelden dat eiser met medische problematiek kampt en moet worden beoordeeld of dit tot een schending van artikel 3 EVRM leidt als eiser wordt uitgezet naar Polen, aldus eiser.
4. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de bewaringsrechter niet mag beoordelen of de verwijdering naar Polen in strijd is met het verwijderingsbesluit omdat het arrest Adrar alleen ziet op bewaringsmaatregelen die op richtlijn 2008/115 zijn gestoeld.
5. De rechtbank, deze zittingsplaats, heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:18617) onder meer het navolgende overwogen: 7. In het arrest Adrar heeft het Hof nader uitgelegd welke verplichtingen voor de bewaringsrechter voortvloeien uit richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met enkele bepalingen uit het Handvest van de Grondrechten. Eiser is een EU-onderdaan en valt daarom niet onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115. In artikel 2, eerste lid, van deze richtlijn is namelijk bepaald deze richtlijn van toepassing is op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen en in artikel 3, eerste lid, van deze richtlijn is bepaald dat een onderdaan van een derde land eenieder is die geen burger van de Unie is in de zin van artikel 17, lid 1, van het Verdrag en die geen persoon is, die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer valt, als bepaald in artikel 2, punt 5, van de Schengengrenscode.
(…)
11. Eiser is in bewaring gesteld om het verwijderingsbesluit uit te voeren. Door het nemen van het verwijderingsbesluit als bedoeld in artikel 15 van de Verblijfsrichtlijn en het in bewaring stellen om dit besluit uit te voeren wordt het Unierecht ten uitvoer gelegd en dus worden deze handelingen beheerst en begrensd door het Handvest van de Grondrechten. De rechterlijke controle van de bewaring ter fine van het verwijderen van een EU-onderdaan naar de lidstaat van herkomst wordt naar het oordeel van de rechtbank ook beheerst door het Unierecht. De grondslag voor de bewaring is weliswaar de nationale vreemdelingenwet, maar zoals uit de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraak van 23 februari 2022 blijkt, volgt dat de bewaring van een burger van de Unie over wie een besluit tot verwijdering, als bedoeld in artikel 15 van de Verblijfsrichtlijn is genomen, tot doel heeft dat Unierechtelijke besluit tot verwijdering ten uitvoer te leggen.
12. Artikel 4 van het Handvest heeft een absoluut karakter. Dit betekent dat de bewaringsrechter die de rechtmatigheid controleert van de maatregel die strekt tot effectuering van een verwijderingsbesluit als bedoeld in artikel 15 van de Verblijfsrichtlijn verplicht is om na te gaan of artikel 4 van het Handvest in de weg staat aan de verwijdering. Indien het verwijderingsbesluit niet kan worden uitgevoerd, bestaat er geen vooruitzicht op verwijdering terwijl het bestaan van een redelijk vooruitzicht op verwijdering gelet op de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2022, voor de toepassing van bewaring van een burger van de Unie is vereist. De rechtbank merkt hierbij op dat het controleren of artikel 4 van het Handvest zich verzet tegen de uitvoering van het verwijderingsbesluit niet betekent dat de bewaringsrechter een oordeel geeft over de rechtmatigheid van het verwijderingsbesluit en dus niet in strijd is met de hiervoor weergegeven uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2023. Uitgangspunt bij deze beoordeling is het in rechte vaststaande verwijderingsbesluit.(…)
6. De rechtbank ziet geen aanleiding om thans tot een andere conclusie te komen. Dat betekent dat de bewaringsrechter ook verplicht is om na te gaan of artikel 4 van het Handvest in de weg staat aan de uitvoering van het verwijderingsbesluit. Als dit zo is, kan de maatregel niet strekken tot de verwijdering naar Polen en moet de maatregel worden opgeheven. De rechtbank heeft overigens eerder geoordeeld dat het arrest Adrar ziet op de verplichtingen van bewaringsrechter om te beoordelen of zicht op uitzetting bestaat en niet ziet op motiveringsvereisten in de bewaringsmaatregel. De rechtbank controleert ter zitting of het doel waartoe de maatregel is opgelegd ook kan worden bereikt. Indien in de maatregel terzake geen motivering is opgenomen, betekent dit niet zonder meer dat de maatregel niet strekt ter verzekering van het beoogde doel. Voor zover in de maatregel niet is gemotiveerd dat artikel 4 van het Handvest aan de verwijdering in de weg staat betekent dit ook niet zonder meer dat het verwijderingsbesluit niet kan worden uitgevoerd en zal de rechtbank dit ter zitting nader onderzoeken. De rechtbank heeft beide partijen ter zitting medegedeeld dat de rechtbank dit beoordelingskader toepast en heeft beide partijen in de gelegenheid gesteld om een standpunt in te nemen over de vraag of eiser een reëel en voorzienbaar risico loopt om in een met artikel 4 Handvest-strijdige situatie te geraken als hij wordt verwijderd naar Polen.
7. De rechtbank overweegt dat uit het bewaringsgehoor, de overige stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting niet blijkt dat sprake is van een zodanige wijzigingen van feiten en omstandigheden sinds het vaststellen van het verwijderingsbesluit dat het refoulementrisico een nadere beoordeling vergt. Eiser kampt met medische problematiek maar heeft, zoals hij ter zitting heeft erkend, in Polen eerder ‘astma-medicatie’ ontvangen. Eiser heeft verder verklaard een half jaar geleden behandeld te zijn aan steekwonden in zijn knie. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij nu nog steeds wordt behandeld, dat deze behandeling niet beschikbaar zou zijn in Polen en dat dit, indien dit niet het geval zou zijn, tot een 4 Handvest-schending zal leiden en de rechtbank acht dit ook niet aannemelijk. Ook overigens blijkt niet dat er indicaties zijn dat er een refoulementrisico zou dreigen. De rechtbank stelt dus vast dat het refoulementrisico zich niet verzet tegen de uitvoering van het verwijderingsbesluit.
8. De rechtbank heeft alle overige rechtmatigheidsvoorwaarden gecontroleerd en stelt vast dat de maatregel rechtmatig is opgelegd en rechtmatig ten uitvoer is gelegd tot aan de sluiting van het onderzoek. Dit betekent dat verweerder eiser vooralsnog in bewaring mag houden om de uitvoering van het verwijderingsbesluit te effectueren. Het beroep is dus ongegrond.
De rechtbank heeft melding gemaakt van de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de uitspraak en de termijn die hiervoor staat.
Deze uitspraak is aldus uitgesproken in het openbaar op 30 december 2025 door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M.M.F. Roijen, griffier.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Het proces-verbaal van deze uitspraak is bekendgemaakt op: 31 december 2025.