Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:25582

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
25.61199
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwVreemdelingenwet 2000DublinverordeningECLI:NL:RVS:2020:829Arrest Hof van Justitie C-704/20
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet

De minister van Asiel en Migratie legde op 12 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op wegens risico op onttrekking aan toezicht en belemmering van de uitzettingsprocedure. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt.

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep op 29 december 2025. Eiser zag af van het recht om op zitting gehoord te worden, zijn gemachtigde was aanwezig. De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank oordeelde dat eiser valt onder de categorie vreemdelingen zoals bedoeld in artikel 59a Vw en dat er een concreet aanknopingspunt bestaat voor overdracht aan Zwitserland volgens de Dublinverordening.

De rechtbank nam de door de minister aangevoerde zware en lichte gronden voor bewaring over, waaronder het niet melden van verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. Eiser kon niet aannemelijk maken over voldoende financiële middelen te beschikken. Er was geen aanleiding voor een lichter middel dan bewaring. De minister werkte voortvarend aan overdracht, gepland op 7 januari 2026. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61199

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. De minister heeft op 12 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring op beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 december 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft door het tekenen van en afstandsverklaring afgezien van het recht om op zitting te worden gehoord. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek.
(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de Dublinverordening. Op 15 september 2025 heeft Zwitserland namelijk akkoord gegeven op het door Nederland ingediende claimverzoek.
Gronden
5. Ten aanzien van de zware grond 3b voert eiser aan dat hij één dag na het vrijwillig afzien van opvang in strafrechtelijke detentie is gekomen, en dat er dus geen reële mogelijkheid was om zich in de tussentijd te melden bij de korpschef. Dit geldt ook voor de onderbouwing van de lichte grond 4a. Met betrekking tot de lichte grond 4d stelt eiser dat hij beschikt over € 400,- en dat dit voldoende is om te voorzien in levensonderhoud.
5.1.
Ten aanzien van de zware grond 3b overweegt de rechtbank dat de feitelijke juistheid van deze grond voldoende is om hem aan eiser te kunnen tegenwerpen. [2] De rechtbank stelt vast dat eiser op 8 december 2025 met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen melding heeft gemaakt van zijn verblijfsplaats, zodat hij zich enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken. Dat eiser slechts één dag buiten het zicht is geweest doet hieraan niet af.
5.2.
Ten aanzien van de lichte grond 4d overweegt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt over € 400,- te beschikken. De enkele stelling is hiertoe onvoldoende. Daarbij is € 400,- onvoldoende om enige tijd te voorzien in zijn eigen levensonderhoud en daarnaast de overdracht naar Zwitserland te bekostigen.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven.
6.1.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen dan wel medische omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken, en waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de minister ter zitting heeft aangegeven dat er voor eiser een vlucht naar Zwitserland gepland staat op 7 januari 2026.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht. [3]
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier¸ en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022 in de zaak C, B en X tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858.