De minister van Asiel en Migratie legde op 16 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 29 december 2025 in Groningen, waar beide partijen verschenen en een tolk aanwezig was.
De minister baseerde de maatregel op zowel zware als lichte gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht, het verstrekken van onjuiste gegevens over identiteit en nationaliteit, het onnodig ontdoen van reisdocumenten en het niet meewerken aan overdracht aan een andere lidstaat. De rechtbank stelde vast dat deze gronden feitelijk juist waren en dat eiser onder de categorie vreemdelingen viel waarvoor artikel 59a Vw geldt.
De rechtbank oordeelde dat de combinatie van zware en lichte gronden voldoende is om de maatregel van bewaring te dragen en dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Er was geen aanleiding om een lichter middel toe te passen, mede omdat eiser geen persoonlijke of medische omstandigheden had die dit rechtvaardigden. De minister handelde voortvarend in de asielprocedure, wat ook door de rechtbank werd bevestigd.
De rechtbank concludeerde dat het opleggen van de maatregel niet onrechtmatig was, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.