De minister van Asiel en Migratie legde op 13 december 2025 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De minister hief de bewaring op op 22 december 2025. De rechtbank behandelde het beroep op 29 december 2025, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.
De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was en of schadevergoeding toekwam. De minister had voldoende zwaarwegende gronden voor de bewaring, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht en het niet naleven van vertrekplicht. Tevens waren er lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.
De rechtbank stelde vast dat eiser onder de categorie vreemdelingen viel waarvoor bewaring is toegestaan en dat er een concreet aanknopingspunt was voor overdracht aan Duitsland. De minister had gemotiveerd waarom een lichter middel niet toereikend was. Er waren geen persoonlijke of medische omstandigheden die een lichter middel rechtvaardigden. De minister werkte voortvarend aan de overdracht, die op 22 december 2025 plaatsvond.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.