De minister van Asiel en Migratie legde op 19 december 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De maatregel werd op 24 december 2025 opgeheven. De rechtbank behandelde het beroep op 29 december 2025.
De beoordeling richtte zich op de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest. De minister baseerde de maatregel op zowel zware als lichte gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het ontduiken van toezicht, het niet naleven van een terugkeerbesluit en het ontbreken van vaste woonplaats. De rechtbank stelde vast dat deze gronden feitelijk juist waren en dat een lichter middel niet doeltreffend was.
Verder concludeerde de rechtbank dat de minister voldoende voortvarend handelde bij de uitzetting, met een vertrekgesprek op de vierde dag van de bewaring. Er was zicht op uitzetting naar Algerije, en er waren geen omstandigheden die de bewaring onevenredig bezwarend maakten. De rechtbank oordeelde dat de bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.