In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd aan de eiser op 21 december 2025. De maatregel was gebaseerd op artikel 59a van de Vreemdelingenwet, waarbij de minister stelde dat er een risico bestond dat de eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De rechtbank heeft op 29 december 2025 de zaak behandeld, waarbij de eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals een vertegenwoordiger van de minister. De rechtbank heeft vastgesteld dat de gronden voor de maatregel van bewaring, zowel zware als lichte, voldoende waren om de maatregel te rechtvaardigen. De rechtbank oordeelde dat de eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland was binnengekomen en zich eerder aan het toezicht had onttrokken. De rechtbank concludeerde dat de minister terecht geen lichter middel dan bewaring had opgelegd, gezien het risico op onttrekking. De rechtbank heeft het beroep van de eiser ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en er is een mogelijkheid tot hoger beroep binnen een week na bekendmaking.