ECLI:NL:RBDHA:2025:25588

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
25.62561
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vw

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd aan de eiser op 21 december 2025. De maatregel was gebaseerd op artikel 59a van de Vreemdelingenwet, waarbij de minister stelde dat er een risico bestond dat de eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De rechtbank heeft op 29 december 2025 de zaak behandeld, waarbij de eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals een vertegenwoordiger van de minister. De rechtbank heeft vastgesteld dat de gronden voor de maatregel van bewaring, zowel zware als lichte, voldoende waren om de maatregel te rechtvaardigen. De rechtbank oordeelde dat de eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland was binnengekomen en zich eerder aan het toezicht had onttrokken. De rechtbank concludeerde dat de minister terecht geen lichter middel dan bewaring had opgelegd, gezien het risico op onttrekking. De rechtbank heeft het beroep van de eiser ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en er is een mogelijkheid tot hoger beroep binnen een week na bekendmaking.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62561

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. L. Augustinus).

Inleiding

1. De minister heeft op 21 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring op beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Mr. M. Pater is verschenen als waarnemer voor de gemachtigde van eiser. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.
(lichte gronden)4a. zich niet aan één of meer andere voor de vreemdeling geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de Dublinverordening. Op 24 februari 2025 heeft Frankrijk namelijk akkoord gegeven op het door Nederland ingediende claimverzoek.
Gronden
5. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de Afdeling [2] van 25 maart 2020 [3] volgt dat, om de gronden 3a, 3b en 3k aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. De rechtbank oordeelt dat de grond 3a feitelijk juist is, omdat eiser niet beschikt over een grensoverschrijdingsdocument en daarmee ook niet over een visum voor het Schengengebied. Dat eiser beschikt over een foto van zijn paspoort en een visum op zijn smartphone, doet er niet aan af dat hij niet op de voorgeschreven wijze is ingereisd. Ook de grond 3b is feitelijk juist, nu eiser op 10 april 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. De grond 3k is ook feitelijk juist, omdat eiser op 4 april een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, en in plaats van medewerking te verlenen met onbekende bestemming is vertrokken.
5.2.
De lichte grond 4a is terecht aan eiser tegengeworpen, nu hij niet beschikt over een grensoverschrijdingsdocument zoals bedoeld in artikel 4.21 Vb [4] . Dat lichte gronden 4c en 4d niet aan eiser kunnen worden tegengeworpen omdat hij een asielzoeker is, volgt de rechtbank niet. Eiser beschikt niet over een vaste woon- of verblijfplaats en ook niet over voldoende middelen van bestaan, zodat ook deze lichte gronden terecht aan eiser zijn tegengeworpen.
Lichter middel
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven.
6.1.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen dan wel medische omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken, en waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. De enkele stelling dat eiser vanuit vrijheid wil meewerken aan de overdracht, doet hier niet aan af.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. Er is op 24 december een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Ook staat er inmiddels een vlucht gepland op 5 januari 2026.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht. [5]
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier¸ en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zie de uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
4.Vreemdelingenbesluit 2000.
5.Arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022 in de zaak C, B en X tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858.