ECLI:NL:RBDHA:2025:25614

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
NL24.51194 en NL24.51314
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsaanvragen van Nigeriaanse eiseres op basis van artikel 8 EVRM en mvv-vereiste

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 17 december 2025, zijn de verblijfsaanvragen van een Nigeriaanse eiseres afgewezen. De eiseres, die op 10 maart 2021 een aanvraag indiende voor verblijf als gemeenschapsonderdaan, was het niet eens met de afwijzing van haar aanvragen door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank heeft de afwijzing van de aanvragen beoordeeld aan de hand van de beroepsgronden van eiseres, maar kwam tot de conclusie dat de minister terecht had gehandeld. De rechtbank oordeelde dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die de afwijzing in strijd met artikel 8 van het EVRM zouden maken. De rechtbank heeft het procesverloop uiteengezet, waarin de eerdere afwijzingen en de rechtsgang zijn beschreven. De rechtbank heeft vastgesteld dat de eiseres geen geldig paspoort had overgelegd en dat zij niet voldeed aan het mvv-vereiste. De rechtbank heeft de belangenafweging tussen het belang van de eiseres bij gezinsleven en het algemeen belang van de Nederlandse overheid bij een restrictief toelatingsbeleid gemaakt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de belangen van de Nederlandse overheid zwaarder wegen en dat de afwijzing van de aanvragen niet in strijd is met de wet. De beroepen zijn ongegrond verklaard, wat betekent dat de eiseres geen toestemming krijgt voor verblijf in Nederland en geen griffierecht terugkrijgt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.51194 en NL24.51314

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. A. Hadvy-Kovacs).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de verblijfsaanvragen van eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvragen van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de besluiten 10 september 2024 en 29 augustus 2024. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2.1.
Eiseres heeft op 10 maart 2021 een aanvraag ingediend tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 4 oktober 2021 afgewezen. Met het besluit van 20 januari 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Bij uitspraak van 12 juli 2022 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep van eiseres ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 14 juli 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het hoger beroep van eiseres gegrond verklaard, het besluit van 20 januari 2022 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te zaaknummers: NL24.51194 en NL24.51314 2 nemen op het bezwaar van eiseres. Met het besluit van 10 september 2024 heeft verweerder aan deze opdracht voldaan en het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld op 19 september 2024. Dit beroep staat geregistreerd onder procedurenummer NL24.51194. 2.2. Inmiddels had eiseres op 10 januari 2023 ook een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als doel is ‘verblijf als familie- of gezinslid bij de heer [persoon A] ’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 4 april 2023 afgewezen. Met het besluit van 29 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld op 19 september 2024. Dit beroep staat geregistreerd onder procedurenummer NL24.51314.
2.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de Nederlandse echtgenoot van eiseres [persoon A] (hierna: referent) en de gemachtigde van verweerder.

(Totstandkoming van) de besluiten van 10 september 2024 en 29 augustus 2024

3. Eiseres heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1979. Zij wenst verblijf bij referent met wie zij op 26 september 2022 is gehuwd.
NL24.51194
3.1.
In het besluit van 20 januari 2022 staat dat eiseres geen geldig paspoort heeft overgelegd, zodat niet is voldaan aan het zogenoemde paspoortvereiste zoals bedoeld in artikel 18 van de Vw. Daarnaast is eiseres geen begunstigde van Richtlijn 2004/38/EG, omdat niet is gebleken dat referent eerder gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer. Bovendien is niet gebleken dat sprake is van een duurzame relatie. De afwijzing van de aanvraag is volgens verweerder ook niet in strijd met artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. In het besluit van 10 september heeft verweerder toegelicht waarom ook geen gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om eiseres ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) in samenhang gelezen met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dit kader heeft verweerder verwezen naar de beslissing op bezwaar van 29 augustus 2024 in procedure NL24.51314.
NL24.51314
3.2.
In het besluit van 29 augustus 2024 staat dat eiseres niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: het mvv-vereiste) en dat zij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste omdat de afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Tegenwerping van het mvv-vereiste leidt volgens verweerder ook niet tot onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 3.71, derde lid van het Vb (hierna ook: de hardheidsclausule).

Omvang van het geding en beoordeling van de beroepsgronden

NL24.51194
Omvang van het geding en standpunten partijen ten aanzien van de in het kader van artikel 8 van het EVRM gemaakte belangenafweging
4. Gelet op de inhoud van voormelde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats Amsterdam van 12 juli 2022, de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 14 juli 2023 en op wat ter zitting besproken is, ligt in procedure NL24.51194 alleen nog het standpunt van verweerder ter beoordeling voor met betrekking tot de (ambtshalve) toets aan artikel 8 van het EVRM.
5.1.
Het standpunt van verweerder met betrekking tot de ambtshalve toets aan artikel 8 van het EVRM houdt het volgende in. Verweerder neemt aan dat er tussen eiseres en referent, vanwege hun huwelijk, beschermenswaardig familieleven bestaat. De belangenafweging valt volgens verweerder echter in het nadeel van eiseres uit. Referent beschikt weliswaar over voldoende middelen van bestaan, wat in zijn voordeel wordt meegenomen, maar de belangen om eiseres geen rechtmatig verblijf toe te staan in Nederland wegen zwaarder. Eiseres is een relatie met referent aangegaan zonder dat zij rechtmatig verblijf had in Nederland en zij wordt geacht sterke banden te hebben met haar land van herkomst doordat zij daar geboren en getogen is en daar drie kinderen heeft wonen. Er zijn bovendien geen objectieve of subjectieve belemmeringen om van eiseres niet te mogen verwachten dat zij terugkeert naar haar land van herkomst om een mvv aan te vragen.
5.2.
Eiseres betoogt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in haar voordeel had moeten uitvallen en dat uitgegaan is van onjuiste informatie. In dit kader voert eiseres – samengevat – aan dat verweerder in het besluit van 10 september 2024 niet duidelijk maakt wat het belang van de Nederlandse overheid is bij de weigering om eiseres een verblijfsvergunning te verstrekken. Het is vanwege referents sociale, economische en persoonlijke bindingen met Nederland niet redelijk om van hem te verwachten dat hij naar Nigeria verhuist. Het economische belang van verweerder is niet voldoende zwaarwegend omdat referent dan zijn baan in Nederland zal moeten opzeggen, terwijl er al een personeelstekort is. Ook kan het gezinsleven niet adequaat op afstand worden onderhouden. Referent kan zijn baan in Nederland niet opgeven en het zal, gelet op zijn leeftijd en de taalbarrière niet eenvoudig zijn om aan een andere baan in Nigeria te komen. Ook is geen sprake van eerste toelating omdat eiseres al sinds 2016 in de Europese Unie verblijft en op grond daarvan in Nederland mocht verblijven. Bovendien is er sprake van privéleven tussen eiseres en de vader van referent wat maakt dat niet van haar kan worden verwacht terug te keren naar Nigeria. Het is volgens eiseres ook onbegrijpelijk dat verweerder stelt dat het ‘voor de Nederlandse overheid onbekend was’ waar het hoofdverblijf van eiseres zich bevond vóór 16 augustus 2023, omdat zij toen al samenwoonde met referent en er vanaf 2020 al een andere verblijfsaanvraag bij verweerder in behandeling was waaruit die samenwoning volgde. Tot slot is het vanwege het analfabetisme van eiseres onredelijk om van haar te verwachten terug te moeten keren naar haar land van herkomst en een mvv aan te vragen.
Zijn de juiste feiten en omstandigheden in de belangenafweging betrokken?
5.3.1.
Verweerder weegt bij het maken van de belangenafweging enerzijds het belang van eiseres bij de uitoefening van haar familie- en gezinsleven in Nederland en anderzijds het Nederlands algemeen belang bij het niet toestaan van verblijf aan eiseres in Nederland. Bij die belangenafweging moet verweerder alle relevante feiten en omstandigheden betrekken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449). De rechter toetst eerst of verweerder alle feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang van de Nederlandse overheid en dat van betrokkenen.
5.3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het besluit van 10 september 2024 de feiten en omstandigheden die van belang zijn, betrokken in de belangenafweging en is hij uitgegaan van juiste informatie. Verweerder heeft niet ten onrechte in de belangenafweging meegenomen dat eiseres pas op 16 augustus 2023 is ingeschreven in de Basisregistratie Personen op hetzelfde adres als referent en dat niet is aangetoond waar zij haar hoofdverblijf voor die tijd had. Dat eiseres in 2020 in een eerdere aanvraag – die zij niet heeft overgelegd – heeft gesteld dat zij vanaf juni (of: oktober) 2020 samenwoonde met referent, heeft verweerder op dit punt onvoldoende onderbouwing kunnen vinden. De verklaringen van vrienden en familie uit 2020 (van wie slechts een deel stelt dat sprake is van samenwonen) zijn niet objectief.
5.3.3.
Daarnaast heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat sprake is van een eerste toelating, in de zin dat het familieleven nooit op basis van legaal verblijf heeft plaatsgevonden. Op het moment dat eiseres referent ontmoette had zij geen rechtmatig verblijf in Nederland. Voor zover eiseres stelt dat zij op het moment van hun eerste ontmoeting nog in het bezit was van een Duitse verblijfsvergunning voor verblijf bij haar (ex)partner – van wij zij al meer dan vier jaar officieel gescheiden was –, was de vrije termijn om in Nederland te zijn inmiddels verstreken. De vrije termijn waarop eiseres in dat geval in Nederland zou mogen zijn, is immers 90 dagen en eiseres stelt al voor die tijd, namelijk vanaf februari 2020, in Nederland te zijn.
Doen zich hier uitzonderlijke omstandigheden voor?
5.4.1.
Het niet toestaan van verblijf in een situatie zoals in deze zaak (waarin sprake is van een eerste toelating), is alleen in ‘uitzonderlijke omstandigheden’ in strijd met artikel 8 van het EVRM. Dit volgt uit vaste rechtspraak, waaronder de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Jeunesse tegen Nederland van 3 oktober 2014, nr. 12738/10, en in de zaak Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012, nr. 47017/09. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er zich op het punt van het familie- en gezinsleven uitzonderlijke omstandigheden voordoen die maken dat de belangenafweging in haar voordeel moet uitvallen.
5.4.2.
De rechtbank overweegt allereerst dat uit het besluit van 10 september 2024 volgt, althans zo begrijpt de rechtbank, dat de Nederlandse overheid een zwaarwegend belang heeft bij een restrictief toelatingsbeleid. Verweerder heeft in dat besluit benoemd dat het in het belang van de Nederlandse overheid is dat vreemdelingen alleen een verblijfsvergunning krijgen als zij aan de voorwaarden voldoen en dat verweerders belang zwaar weegt. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank, zij het met niet al te uitgebreide bewoordingen, voldoende gemotiveerd welk belang verweerder heeft bij het niet toestaan van verblijf aan eiseres in Nederland en welk gewicht (zwaar) aan dit belang moet worden toegekend.
5.4.3.
Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder de omstandigheid dat referent een baan heeft in Nederland niet ten onrechte niet aangemerkt als een uitzonderlijke omstandigheid zoals bedoeld in 5.4.1. Het is niet gebleken dat hij geen baan in Nigeria zou kunnen krijgen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat referent, zo blijkt uit de overgelegde whatsapp berichten, de Engelse taal beheerst en dat dit de officiële taal in Nigeria is. Verder is niet gebleken dat hij voor zijn werk aan Nederland gebonden is. In het personeelstekort op Schiphol, waar referent werkzaam is, heeft verweerder niet ten onrechte geen grond gezien om uitzonderlijke omstandigheden aan te nemen. Dat referent sociale, economische en persoonlijke bindingen heeft met Nederland, heeft verweerder ook niet ten onrechte niet aangemerkt als een dergelijke omstandigheid.
5.4.4.
Eiseres heeft ook nog aangevoerd dat zij analfabeet is, de relatie in de Coronapandemie is ontstaan (en er toen versoepelde regels ten aanzien van de mvv verplichting golden), dat zij gebrekkige rechtsbijstand heeft ontvangen en dat eiseres een goede band heeft met de vader van referent. Deze omstandigheden leiden echter niet tot een ander oordeel voor zover deze omstandigheden al kunnen worden meegenomen omdat ze in beroep voor het eerst naar voren zijn gebracht. Zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, kan eiseres - als zij daarvoor in aanmerking komt - een voor analfabeten aangepaste inburgeringscursus doen in haar land van herkomst. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat vreemdelingen tijdens de Coronapandemie alleen in aanmerking kwamen voor de versoepeling van het mvv-vereiste als aan alle voorwaarden voor de vergunningverlening werd voldaan. Omdat eiseres geen geldig paspoort had, was hiervan geen sprake. Ook de omstandigheid dat eiseres, hoe vervelend dit ook is, aanvankelijk een gebrekkige rechtsbijstand ontving, is niet een uitzonderlijke omstandigheid in de hiervoor bedoelde zin. Ter onderbouwing van de band die eiseres stelt te hebben met de vader van referent, heeft eiseres in beroep een brief van de vader van referent overgelegd. Nu het gebruikelijk is dat banden worden aangegaan met (mensen in) een gastland als je er voor langere tijd woont, kan deze brief of de band met haar schoonvader niet worden aangemerkt als uitzonderlijke omstandigheid. Ten slotte is ook de enkele stelling dat eiseres zich niet schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de belangenafweging in het voordeel van eiseres had moeten uitvallen.
5.4.5.
Verweerder stelt zich verder niet ten onrechte op het standpunt dat mag worden verwacht dat het gezinsleven tussen eiseres en referent, gedurende de procedure, op afstand wordt voortgezet ook al doet dat afbreuk aan de kwaliteit van het gezinsleven. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat dat eiseres geboren en getogen is in Nigeria en daar nog familie, waaronder 3 kinderen, heeft wonen.
5.4.6.
Nu de door eiseres aangevoerde omstandigheden, zowel afzonderlijk als in samenhang bezien, geen uitzonderlijke omstandigheden zijn als bedoeld in voormelde rechtspraak van het EHRM, heeft verweerder niet ten onrechte bij de afweging tussen enerzijds het algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid, en anderzijds het persoonlijk belang van eiseres bij de uitoefening van gezinsleven hier in Nederland, aan het algemeen belang doorslaggevend gewicht toegekend.
5.5.
Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Dit betekent dat verweerder niet op grond van artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb aan eiseres ambtshalve een verblijfsvergunning heeft hoeven te verlenen.
NL24.51314
Had verweerder eiseres op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder l van het Vb moeten vrijstellen van het mvv-vereiste?
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres in het kader van haar beroep op artikel 3.71, tweede lid, onder l van het Vb en haar stelling dat verweerder haar had moeten vrijstellen van het mvv-vereiste, dezelfde argumenten heeft aangevoerd als in het kader van haar beroep op artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb in procedure NL24.51194. Uit rechtsoverweging 5.3.1. tot en met 5.5. blijkt dat verweerder in eiseres’ beroep op artikel 8 van het EVRM geen grond heeft hoeven zien om haar verblijf in Nederland toe te staan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in het beroep van eiseres op artikel 8 van het EVRM in deze procedure niet ten onrechte geen grond heeft gezien om haar op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder l van het Vb vrij te stellen van het mvv-vereiste.
Had verweerder eiseres op grond van artikel 3.71, derde lid van het Vb moeten vrijstellen van het mvv-vereiste?
7. Voor zover eiseres betoogt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat tegenwerping van het mvv-vereiste leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, van het Vb, overweegt de rechtbank als volgt. De hardheidsclausule van artikel 3.71, derde lid, van het Vb biedt verweerder de mogelijkheid vreemdelingen vrij te stellen van het mvv-vereiste in zeer uitzonderlijke individuele situaties. Eiseres heeft in beroep naar voren gebracht dat zij analfabeet is, dat haar relatie is ontstaan tijdens de Coronapandemie en dat zij in het begin van haar relatie met referent geen adequate rechtsbijstand heeft ontvangen. Eiseres heeft (een groot deel van) deze omstandigheden in de bezwaarfase echter niet aangevoerd, zodat verweerder deze omstandigheden ook niet heeft kunnen meenemen in zijn beoordeling en hierin dus ook geen grond heeft hoeven zien om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste. Overigens zijn de door eiseres aangevoerde omstandigheden, ook niet in samenhang bezien, zodanig bijzonder dat het daarom onredelijk hard is om het mvv-vereiste tegen te werpen. Zoals hiervoor in het kader van de andere procedure is overwogen, is er de mogelijkheid om als analfabeet een aangepaste inburgeringscursus te volgen. Daarnaast kwam eiseres, ook als zij direct goede rechtsbijstand zou hebben ontvangen, niet in aanmerking voor de tijdens de Coronapandemie geldende soepelere regels voor het aanvragen van een mvv, omdat zij niet voldeed aan het paspoortvereiste en dat wel een voorwaarde was. De beroepsgrond van eiseres slaagt dan ook niet.
8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen grond hoeven zien om eiseres op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder l dan wel artikel 3.71, derde lid van het Vb vrij te stellen van het mvv-vereiste. Nu het niet voldoen aan het mvv-vereiste op grond van artikel 16, eerste lid onder b, van de Vw een zelfstandige afwijzingsgrond is, heeft verweerder de aanvraag van eiseres terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en geen toestemming krijgt voor verblijf in Nederland. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.