5.5.Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Dit betekent dat verweerder niet op grond van artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb aan eiseres ambtshalve een verblijfsvergunning heeft hoeven te verlenen.
Had verweerder eiseres op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder l van het Vb moeten vrijstellen van het mvv-vereiste?
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres in het kader van haar beroep op artikel 3.71, tweede lid, onder l van het Vb en haar stelling dat verweerder haar had moeten vrijstellen van het mvv-vereiste, dezelfde argumenten heeft aangevoerd als in het kader van haar beroep op artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb in procedure NL24.51194. Uit rechtsoverweging 5.3.1. tot en met 5.5. blijkt dat verweerder in eiseres’ beroep op artikel 8 van het EVRM geen grond heeft hoeven zien om haar verblijf in Nederland toe te staan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in het beroep van eiseres op artikel 8 van het EVRM in deze procedure niet ten onrechte geen grond heeft gezien om haar op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder l van het Vb vrij te stellen van het mvv-vereiste.
Had verweerder eiseres op grond van artikel 3.71, derde lid van het Vb moeten vrijstellen van het mvv-vereiste?
7. Voor zover eiseres betoogt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat tegenwerping van het mvv-vereiste leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, van het Vb, overweegt de rechtbank als volgt. De hardheidsclausule van artikel 3.71, derde lid, van het Vb biedt verweerder de mogelijkheid vreemdelingen vrij te stellen van het mvv-vereiste in zeer uitzonderlijke individuele situaties. Eiseres heeft in beroep naar voren gebracht dat zij analfabeet is, dat haar relatie is ontstaan tijdens de Coronapandemie en dat zij in het begin van haar relatie met referent geen adequate rechtsbijstand heeft ontvangen. Eiseres heeft (een groot deel van) deze omstandigheden in de bezwaarfase echter niet aangevoerd, zodat verweerder deze omstandigheden ook niet heeft kunnen meenemen in zijn beoordeling en hierin dus ook geen grond heeft hoeven zien om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste. Overigens zijn de door eiseres aangevoerde omstandigheden, ook niet in samenhang bezien, zodanig bijzonder dat het daarom onredelijk hard is om het mvv-vereiste tegen te werpen. Zoals hiervoor in het kader van de andere procedure is overwogen, is er de mogelijkheid om als analfabeet een aangepaste inburgeringscursus te volgen. Daarnaast kwam eiseres, ook als zij direct goede rechtsbijstand zou hebben ontvangen, niet in aanmerking voor de tijdens de Coronapandemie geldende soepelere regels voor het aanvragen van een mvv, omdat zij niet voldeed aan het paspoortvereiste en dat wel een voorwaarde was. De beroepsgrond van eiseres slaagt dan ook niet.
8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen grond hoeven zien om eiseres op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder l dan wel artikel 3.71, derde lid van het Vb vrij te stellen van het mvv-vereiste. Nu het niet voldoen aan het mvv-vereiste op grond van artikel 16, eerste lid onder b, van de Vw een zelfstandige afwijzingsgrond is, heeft verweerder de aanvraag van eiseres terecht afgewezen.