ECLI:NL:RBDHA:2025:2571

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 februari 2025
Publicatiedatum
21 februari 2025
Zaaknummer
NL24.48590
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Emaus-Visschers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Ghana wegens onvoldoende geloofwaardigheid en veilig land van herkomst

Eiser, van Ghanese nationaliteit, verzocht op 8 oktober 2024 om asiel vanwege bedreigingen en aanvallen door een familielid na het erven van een winkel. De minister wees de aanvraag op 29 november 2024 af als kennelijk ongegrond, omdat Ghana als veilig land van herkomst geldt en het verhaal over de aanvallen onvoldoende geloofwaardig werd geacht.

De rechtbank behandelde het beroep op 22 januari 2025, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht alleen de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig achtte en dat het tweede asielelement, de problemen met de oom, ongeloofwaardig was vanwege het ontbreken van bewijs en de onlogische verklaringen van eiser.

Eiser stelde dat de minister onvoldoende rekening hield met zijn referentiekader en dat Ghana niet als veilig land van herkomst mocht worden beschouwd vanwege corruptie in de rechterlijke macht. De rechtbank verwierp deze bezwaren, stellende dat de minister niet verplicht is het referentiekader in elke beslissing te motiveren en dat de corruptieproblematiek niet relevant is voor eiser gezien zijn omstandigheden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Eiser kan binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48590

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Ghanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2005. Hij heeft op 8 oktober 2024 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 29 november 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2025, samen met de zaak NL24.48591, op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. De moeder van eiser runde een winkel in elektrische onderdelen in Kumasi. Toen zij in 2022 overleed, heeft eiser haar winkel geërfd. Hoewel de middelste van de drie broers van zijn moeder (eisers ooms) het daar niet mee eens was en eiser heeft gedreigd iets aan te doen als hij de winkel zou erven, is eiser wel eigenaar van de winkel geworden. Niet lang daarna werd eiser in de winkel in opdracht van zijn middelste oom (hierna: de middelste oom) aangevallen en mishandeld. Eiser heeft toen aangifte gedaan bij de politie, maar dat leverde niets op. Eiser is vervolgens op advies van zijn oudste oom naar Accra gevlucht. Daar werd hij een tweede keer in opdracht van de middelste oom aangevallen. Omdat de eerdere aangifte bij de politie niets opleverde, heeft eiser niet opnieuw aangifte gedaan bij de politie. Hij heeft Ghana in plaats daarvan verlaten.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) Problemen met eisers oom wegens de winkel van zijn moeder.
5.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser (het eerste asielelement) deels geloofwaardig zijn [1] en de problemen met de middelste oom (het tweede asielelement) ongeloofwaardig. De minister heeft daarom alleen gekeken of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Omdat Ghana volgens de minister een veilig land van herkomst is en niet is gebleken dat Ghana voor eiser persoonlijk onveilig is, heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?
6. Eiser betoogt dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende duidelijk heeft gemaakt of en, zo ja, met welk referentiekader rekening is gehouden. In het bestreden besluit is niet benoemd hoeveel jaren opleiding eiser heeft genoten en staat niets over eisers culturele achtergrond, terwijl dat in de asielprocedure wel een belangrijke rol speelt. [2]
6.1.
Dit betoog slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat uit de wet- en regelgeving geen algemene verplichting voor de minister voortvloeit om in elke beslissing op een asielaanvraag te motiveren wat het referentiekader van de vreemdeling is. De minister heeft in dit verband verder terecht gesteld dat uit de rechtspraak volgt dat de asielprocedure in algemene zin op een zodanige manier is ingericht dat rekening wordt gehouden met het referentiekader van de vreemdeling [3] en dat uit de WI 2024/6 volgt dat alleen kenbaar wordt gemotiveerd wat in zijn algemeenheid van de vreemdeling mag worden verwacht als dat relevant is. Voor zover eiser vindt dat de minister te weinig rekening heeft gehouden met zijn referentiekader, had het daarom op zijn weg gelegen om dat nader toe te lichten en te onderbouwen. Dat heeft eiser niet gedaan. De rechtbank ziet daarom geen reden voor het oordeel dat de minister te weinig rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser.
Mocht de minister de problemen met eisers oom (het tweede asielelement) ongeloofwaardig achten?
7. Eiser betoogt dat de minister de problemen met de middelste oom ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, omdat hij vage verklaringen zou hebben afgelegd. Eiser heeft in de zienswijze toegelicht dat de problemen met de middelste oom na de aangifte bij de politie zijn verergerd en dat hij na de tweede aanval niet naar het ziekenhuis is gegaan, omdat het ziekenhuis contact zou opnemen met de politie. Dat wilde eiser, gelet op zijn eerdere ervaringen met de politie, niet. De minister heeft hierop in het bestreden besluit onvoldoende gereageerd en dus onvoldoende uitgelegd waarom de problemen met de middelste oom ongeloofwaardig worden geacht.
7.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de problemen van eiser met de middelste oom ongeloofwaardig zijn. De rechtbank stelt voorop dat eiser hetzelfde betoog al in zijn zienswijze heeft aangevoerd, en dat de minister hierop in het bestreden besluit is ingegaan. [4] Verder stelt de rechtbank vast dat eiser niet heeft betwist dat in zijn nadeel weegt dat hij over de eerste aanval geen documenten (zoals een aangifte) heeft overgelegd, terwijl dat wel van hem mag worden verwacht. Over de tweede aanval stelt de minister terecht dat eiser vage verklaringen heeft afgelegd, omdat niet valt in te zien waarom eiser na de tweede aanval niet naar het ziekenhuis is gegaan. Eiser heeft in het gehoor immers verklaard dat hij bij die aanval gewond is geraakt, zodat het voor de hand had gelegen dat hij in elk geval voor (wond)verzorging naar het ziekenhuis zou zijn gegaan. De minister stelt terecht dat het niet aannemelijk is dat het ziekenhuis dan meteen contact zou zoeken met de politie, omdat bij eisers ziekenhuisbezoek na de eerste aanval ook niet onmiddellijk contact is gezocht met de politie: eiser is toen slechts naar de politie doorverwezen om aangifte te doen. [5]
Mocht de minister Ghana als veilig land van herkomst aan eiser tegenwerpen?
8. Eiser betoogt dat de minister Ghana niet als veilig land van herkomst aan hem mocht tegenwerpen. Uit het Informatiebericht (IB) 2024/24 volgt weliswaar dat Ghana in het algemeen een veilig land van herkomst is, maar dat dit wel afhankelijk blijft van het individuele geval van de vreemdeling. Eiser wijst erop dat het moeilijk is om in Ghana effectieve bescherming in te roepen, omdat Ghana kampt met corruptieproblematiek in de rechterlijke macht. [6] De minister heeft hier in het bestreden besluit onvoldoende op gereageerd.
8.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat Ghana voor eiser een veilig land van herkomst is. De minister heeft, zoals hiervoor overwogen, terecht overwogen dat de problemen met de middelste oom ongeloofwaardig zijn. Dat betekent de minister, gelet op wat onder 5.1 is overwogen, alleen moet kijken of Ghana gelet op eisers nationaliteit en herkomst een veilig land van herkomst is. Omdat niet valt in te zien waarom eiser op grond van zijn nationaliteit en herkomst effectieve bescherming bij de Ghanese rechterlijke macht zou moeten inroepen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde Ghanese corruptieproblematiek in het geval van eiser niet van belang is. Gelet op het feit dat de minister hierop in het bestreden besluit is ingegaan, [7] ziet de rechtbank ook geen reden om op dit punt een motiveringsgebrek aan te nemen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus-Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De minister heeft alleen de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht.
2.Eiser wijst op de Werkinstructie (WI) 2014/10 en op de uitspraken ABRvS 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1622 en ABRvS 15 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2073.
3.ABRvS 6 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:341, r.o. 6.6.
4.Zie het bestreden besluit van 29 november 2024, p. 3.
5.Zie het verslag van het gehoor van 26 november 2024, p. 7.
6.Eiser wijst op het USDOS-rapport over Ghana van 23 april 2024, sectie 1, onder e (“Denial of Fair Public Trial”) en de landeninformatie van Freedom House over Ghana, onder F (“Rule of Law”).
7.Zie het bestreden besluit van 29 november 2024, p. 3.