4.5.De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025.In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
5. In dit beroep heeft het Uwv toegelicht dat het een fout heeft gemaakt door de beslissing van 27 februari 2024 niet te baseren op een actueel medisch oordeel, en door een nieuwe beslissing per de verkeerde omslagdatum af te geven. Ter zitting is deze situatie besproken. De rechtbank ziet hierin in dit geval een bijzondere omstandigheid die aanleiding is om de wettelijke beslistermijn van twee weken aan te houden. Immers, door de besluitvorming aanvankelijk zonder actueel medisch oordeel te laten plaatsvinden, en nadien het medisch oordeel te baseren op een onjuiste omslagdatum, duurt de procedure onnodig lang. Het verzoek van het Uwv om een langere termijn aan te houden brengt hier geen verandering in, nu het Uwv dit niet verder heeft onderbouwd of toegelicht.
6. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. De rechtbank stelt vast dat een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover.De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit dossier van dit beleid af te wijken. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). Eiseres heeft ook verzocht om vergoeding van de reiskosten ter hoogte van € 38,20. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking. Het totaalbedrag van de te vergoeden kosten bedraagt € 945,20.