ECLI:NL:RBDHA:2025:25969

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
SGR 25/7276
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen het niet tijdig beslissen door het Uwv in een medische uitkeringszaak

In deze zaak heeft eiseres, een B.V., beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op een bezwaar tegen een besluit over de uitkering van een (ex-)werknemer. De werknemer ontvangt een uitkering op basis van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het Uwv had op 27 februari 2024 besloten dat de loongerelateerde uitkering van de werknemer per 16 mei 2024 zou worden omgezet in een loonaanvullingsuitkering. Eiseres maakte op 5 april 2024 bezwaar tegen dit besluit, maar het Uwv heeft niet tijdig op het bezwaar beslist. Eiseres heeft op 9 oktober 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn is overschreden en dat het Uwv in gebreke is gesteld. De rechtbank oordeelt dat het Uwv binnen twee weken na de uitspraak een beslissing moet nemen en dat er een dwangsom van € 100,- per dag moet worden betaald voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast moet het Uwv het griffierecht van € 385,- vergoeden en de proceskosten van € 945,20 aan eiseres betalen. De rechtbank heeft de uitspraak op 17 december 2025 gedaan en deze is openbaar gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7276

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: [naam 1]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv
(gemachtigde: [naam 2]).

Inleiding

1.1.
[naam 3], (ex-)werknemer van eiseres, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). In het besluit van 27 februari 2024 heeft het Uwv bepaalt dat zijn loongerelateerde uitkering per 16 mei 2024 wordt omgezet in een loonaanvullingsuitkering. Eiseres heeft op 5 april 2024 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.2.
Eiseres heeft op 9 oktober 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar. De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2025 ontvangen.
1.3.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Verschenen zijn de gemachtigden van eiseres en het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op 5 maart 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 7 maart 2025 tot het moment van het instellen van beroep zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.
3. Het Uwv heeft op 11 juni 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.
4.1.
Omdat het Uwv nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het Uwv dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv te sommeren alsnog binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen.
4.3.
Het Uwv heeft in het verweerschrift benadrukt dat het bezwaar gericht is tegen een beslissing over het zogenoemde omslagpunt WGA. Dit is het moment waarop de in eerste instantie toegekende loongerelateerde uitkering eindigt en, in dit geval, overgaat in een loonaanvullingsuitkering. Het Uwv erkent dat de beslissing van 27 februari 2024 niet is gebaseerd op een actueel medisch oordeel. Volgens het Uwv is onlangs een beslissing afgegeven, maar per de verkeerde omslagdatum. Daarom is de afdeling Sociaal Medische Zaken (SMZ) gevraagd alsnog per omslagdatum 16 mei 2024 een oordeel te vellen. Als gevolg van het welbekende artsentekort bij het Uwv kan dit nog geruime tijd duren.
4.4.
Op de zitting heeft het Uwv nogmaals erkend dat het een fout heeft gemaakt, omdat de afdeling SMZ een beslissing per de verkeerde omslagdatum heeft genomen.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
5. In dit beroep heeft het Uwv toegelicht dat het een fout heeft gemaakt door de beslissing van 27 februari 2024 niet te baseren op een actueel medisch oordeel, en door een nieuwe beslissing per de verkeerde omslagdatum af te geven. Ter zitting is deze situatie besproken. De rechtbank ziet hierin in dit geval een bijzondere omstandigheid die aanleiding is om de wettelijke beslistermijn van twee weken aan te houden. Immers, door de besluitvorming aanvankelijk zonder actueel medisch oordeel te laten plaatsvinden, en nadien het medisch oordeel te baseren op een onjuiste omslagdatum, duurt de procedure onnodig lang. Het verzoek van het Uwv om een langere termijn aan te houden brengt hier geen verandering in, nu het Uwv dit niet verder heeft onderbouwd of toegelicht.
6. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. De rechtbank stelt vast dat een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. [2] De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit dossier van dit beleid af te wijken. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). Eiseres heeft ook verzocht om vergoeding van de reiskosten ter hoogte van € 38,20. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking. Het totaalbedrag van de te vergoeden kosten bedraagt € 945,20.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op bezwaar bekend te maken;
  • bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden.
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 945,20 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
2.https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd.