Eiseres maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV van 1 november 2023 waarin haar recht op een uitkering op grond van de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jonggehandicapten werd afgewezen. Nadat het UWV niet binnen de wettelijke termijn op het bezwaar had beslist, stelde eiseres beroep in bij de rechtbank Den Haag wegens het uitblijven van een beslissing.
De rechtbank constateerde dat de beslistermijn was overschreden en dat het UWV geen nieuw besluit had genomen. Ondanks de capaciteitsproblemen bij verzekeringsartsen erkende de rechtbank dat het bestuursorgaan gehouden is binnen een redelijke termijn te beslissen, waarbij een termijn van zes weken na een medische beoordeling en vervolgens zes weken voor het besluit passend is. In deze zaak werd een spreekuurcontact gepland op 18 februari 2025, waarna de rechtbank een termijn van vijf weken stelde voor het UWV om een besluit te nemen.
De rechtbank legde tevens een dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000, en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan eiseres wordt vergoed. De uitspraak benadrukt het belang van spoedige besluitvorming in medische uitkeringszaken en sluit aan bij landelijke jurisprudentie over redelijke termijnen bij UWV-beslissingen.