Eiser, een minderjarige met de Angolese nationaliteit, vroeg asiel aan in Nederland op 2 november 2024. Zijn asielverzoek werd afgewezen omdat de minister van Asiel en Migratie onvoldoende aannemelijk achtte dat hij een reëel risico liep op vervolging of ernstige schade in Angola. De minister liet de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden en vond dat eiser geen bescherming nodig had omdat hij niet kon aantonen dat hij zelf gezocht werd door de politie.
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de problemen van eiser niet ernstig genoeg zijn en onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn minderjarigheid, persoonlijke achtergrond en sociale omgeving. De minister mocht de geloofwaardigheid niet slechts deels in het midden laten en had actuele landeninformatie moeten betrekken bij de beoordeling van de bescherming.
De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen. Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het onderzoek naar een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen loopt nog en het besluit daarover is niet prematuur genomen.