ECLI:NL:RBDHA:2025:26013
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf voor gecombineerde vergunning verblijf en arbeid
Eiser, een Albanese nationaliteit, diende op 4 september 2024 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) om als assistent hoofd nacht productie te werken bij een werkgever in Nederland. De aanvraag werd op 15 november 2024 afgewezen door verweerder, de minister van Asiel en Migratie, mede op basis van een negatief advies van het UWV. Het bezwaar van eiser werd op 11 april 2025 ongegrond verklaard.
De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 20 oktober 2025. De kern van het geschil betrof de vraag of de afwijzing terecht was, waarbij verweerder zich baseerde op dwingendrechtelijke weigeringsgronden uit artikel 8 en Pro 9 van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), waaronder het bestaan van voldoende prioriteitgenietend aanbod, onvoldoende vacaturemelding, onvoldoende wervingsinspanningen en irreële functie-eisen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aan zijn zorgvuldigheidsverplichting had voldaan door het UWV-advies zorgvuldig te betrekken en dat het advies inzichtelijk en concludent was. De stellingen van eiser dat het prioriteitgenietend aanbod feitelijk niet beschikbaar zou zijn, dat de vacaturemelding tijdig was en dat de werkgever voldoende had gezocht, werden verworpen. Ook de eis van twee maanden werkervaring werd als irreëel beoordeeld. De rechtbank volgde het standpunt dat geen ruimte was voor belangenafweging vanwege de dwingendrechtelijke aard van de weigeringsgronden. De aanvraag werd terecht afgewezen en het beroep ongegrond verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van een GVVA.