ECLI:NL:RBDHA:2025:26087

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
NL25.13198 en NL25.13201
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing verblijfsdocument op basis van Chavez-recht

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 11 december 2025, wordt het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsdocument op grond van het Chavez-recht behandeld. Eiseres, een Ghanese vrouw, heeft een dochter met de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank oordeelt dat de verweerder ten onrechte heeft vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiseres pas op 5 januari 2015 is ontstaan. De rechtbank stelt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM opnieuw moet worden gedaan, omdat de eerdere vaststelling van de ingangsdatum van het verblijfsrecht onjuist was. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitviel. Eiseres heeft recht op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, en de rechtbank kent haar een schadevergoeding van € 1.000,- toe. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de verweerder op om binnen acht weken opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.13198 (beroep) en NL25.13201 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. F. Kilic-Arslan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de vaststelling dat het verblijfsrecht van eiseres op grond van artikel 20 van het VWEU [1] het arrest Chavez-Vilchez [2] is komen te vervallen en over de afwijzing van de aanvraag tot afgifte van een nieuwe verblijfsdocument EU/EER. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres moet nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres is geboren op [geboortedag 1] 1976 en heeft de Ghanese nationaliteit. Eiseres heeft een dochter, [persoon 1] . Zij is geboren op [geboortedag 2] 2000 in [geboorteplaats] en heeft de Nederlandse nationaliteit. Op 19 juli 2017 heeft verweerder aan eiseres een verblijfsdocument op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez toegekend. Op 22 augustus 2022 heeft eiseres gevraagd om afgifte van een nieuw verblijfsdocument EU/EER.
2.2.
Met het primaire besluit van 17 maart 2023 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft in datzelfde besluit medegedeeld dat het verblijfsrecht van eiseres is komen te vervallen, met ingang van 17 juni 2018. Dat is de datum waarop haar dochter meerderjarig is geworden. Het besluit is tevens een terugkeerbesluit.
2.3.
Met het bestreden besluit van 12 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 oktober 2023. Dit beroep is op 11 juni 2024 op zitting behandeld. Na de zitting heeft de rechtbank op 2 juli 2024 het onderzoek heropend, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 juni 2024. [3] In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat hoewel verweerder niet bevoegd is om de ingangsdatum van een afgeleid verblijfsrecht op verzoek van een vreemdeling vast te stellen, verweerder wel gehouden is om vast te stellen met ingang van welke datum een afgeleid verblijfsrecht feitelijk bestaat. [4] Verweerder is zelf ook gehouden om de feitelijke vaststelling van een afgeleid verblijfsrecht zorgvuldig te motiveren. De bewijslast voor het bestaan van een afgeleid verblijfsrecht en daarmee ook voor het tijdstip waarop het verblijfsrecht is ontstaan, ligt in beginsel bij de vreemdeling. De rechtbank heeft partijen in de heropeningsbeslissing verzocht een reactie te geven op deze uitspraak van de Afdeling. Verweerder heeft daarop op 23 juli 2024 aangegeven een nieuwe beslissing te zullen nemen. Eiseres heeft vervolgens haar beroep ingetrokken.
2.5.
Op 13 maart 2025 heeft verweerder een nieuwe beslissing genomen op het bezwaar van eiseres en het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres op 5 januari 2015 voldeed aan de voorwaarden voor een Chavez-verblijfsrecht. Volgens verweerder kan het verblijfsrecht niet eerder zijn ontstaan dan op 1 december 2009, omdat toen het Verdrag van Lissabon in werking is getreden en toen de burgerschapsrechten een daadwerkelijke rol van betekenis hebben gekregen. Verweerder heeft verder getoetst of sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM [5] . Verweerder heeft aangenomen dat sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiseres en haar dochter, maar heeft in de belangenafweging het belang van de overheid zwaarder laten wegen dan het belang van eiseres. Ook het privéleven van eiseres in Nederland is voor verweerder geen reden om eiseres een verblijfsvergunning toe te kennen.
2.6.
Eiseres heeft tegen deze beslissing opnieuw beroep ingesteld. Zij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de dochter van eiseres, de gemachtigde van eiseres, A.K. Umar als tolk in de taal Twi en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres om een verblijfsdocument EU/EER terecht heeft afgewezen en terecht heeft vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiseres is komen te vervallen per 17 juni 2018.
3.2.
De rechtbank overweegt allereerst dat beantwoording van de vraag wanneer het Chavez-verblijfsrecht is ontstaan relevant is in het kader van de vraag of eiseres recht heeft op verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM. Een ouder kan geen aanspraak meer maken op een Chavez-verblijfsrecht als een kind meerderjarig is geworden. De jaren die een ouder, op grond van het Chavez-verblijfsrecht, rechtmatig in Nederland is verbleven, zijn wel relevant voor de vraag of sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank zal daarom allereerst nagaan wanneer het Chavez-verblijfsrecht is ontstaan. De rechtbank zal daarna, mede op grond daarvan, beoordelen of verweerder heeft kunnen stellen dat eiseres geen verblijfsrecht moet worden toegekend op grond van
artikel 8 van het EVRM.
Kan het verblijfsrecht eerder zijn ontstaan dan op 1 december 2009?
4.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het Chavez-verblijfsrecht van eiseres niet eerder dan op 1 december 2009 kan zijn ontstaan. In dit verband wijst verweerder op de omstandigheid dat het concept van Unieburgerschap oorspronkelijk werd geïntroduceerd met het Verdrag van Maastricht van 7 februari 1992, [6] maar dat het Unieburgerschap pas na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon [7] op 1 december 2009 een meer zelfstandige rol van betekenis heeft gekregen. Op 8 maart 2011 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof van Justitie) het arrest Zambrano [8] uitgesproken. Dit arrest is gedaan na het Verdrag van Lissabon en moet volgens verweerder worden bezien binnen de context van een meer zelfstandig karakter van het Unieburgerschap, dat door het Verdrag van Lissabon verder werd versterkt.
4.2.
In een recente uitspraak van 27 oktober 2025 [9] heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, het standpunt van verweerder dat een Chavez-verblijfsrecht pas kan zijn ontstaan op 1 december 2009, niet gevolgd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat eerst in artikel 20 van het VWEU is bepaald dat burgerschap van de Unie wordt ingesteld. Burger van de Unie is eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Hiermee is de verdragsrechtelijke basis van het Unieburgerschap een gegeven. De rechtbank heeft in die uitspraak verder overwogen dat in het Verdrag van Lissabon geen bepaling staat waaruit kan worden afgeleid dat aan artikel 20 van de VWEU een ‘meer zelfstandige rol van betekenis’ wordt gegeven. Er wordt enkel verduidelijkt dat het Unieburgerschap naast het nationale burgerschap bestaat en niet in plaats daarvan. Ook de omstandigheid dat het Hof van Justitie pas in het arrest Zambrano prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 20 van de VWEU heeft beantwoord, maakt niet dat uit het Verdrag van Lissabon kan worden afgeleid dat aan dat artikel ‘een meer zelfstandige rol van betekenis dient te worden gegeven’ in de zin dat het bedoelde verblijfsrecht niet eerder dan 1 december 2009 zou kunnen worden vastgesteld. Het Hof van Justitie overweegt juist, onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie, [10] dat het Hof herhaaldelijk heeft verklaard dat de hoedanigheid van burger van de Unie de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten moet zijn. Dat was voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon niet anders dan daarna. De rechtbank heeft in het arrest Zambrano en de daarin genoemde jurisprudentie daarom ook geen aanknopingspunt gezien om verweerder te volgen in zijn standpunt dat de rechten van de Unieburger en daarmee het Chavez-verblijfsrecht niet eerder kunnen ontstaan dan op 1 december 2009.
4.3.
De rechtbank volgt deze uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen en is van oordeel dat niet kan worden gesteld dat een Chavez-verblijfsrecht niet eerder kan zijn ontstaan dan op 1 december 2009. Dat betekent dat deze beroepsgrond slaagt.
Is het verblijfsrecht eerder dan op 5 januari 2015 ontstaan?
5.1.
Verweerder heeft verder gesteld dat het Chavez-verblijfsrecht van eiseres op
5 januari 2015 is ontstaan, omdat eiseres op dat moment een aanvraag op grond van
artikel 8 van het EVRM heeft ingediend en pas bij die aanvraag heeft aangetoond dat zij voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor verblijf op grond van het Chavez-arrest. Op de zitting heeft verweerder hierover aanvullend toegelicht dat eiseres eerder in 2008 en in 2011 aanvragen op grond van artikel 8 van het EVRM had ingediend, maar dat zij bij deze aanvragen nog niet had aangetoond dat sprake was van meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken. Ook bleek destijds uit de BRP [11] dat de dochter van eiseres nog samenwoonde met haar vader. Volgens verweerder zijn er uitspraken geweest over deze aanvragen en staan die in rechte vast. Verweerder heeft toegelicht dat eiseres pas bij de aanvraag op 5 januari 2015 voldoende bewijsstukken heeft overgelegd waardoor verweerder is overgegaan tot toewijzing van een verblijfsrecht op grond van het
Chavez-arrest.
5.2.
De rechtbank overweegt allereerst dat uit een recente uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025 [12] blijkt dat de vereisten van zorg- en opvoedingstaken en de afhankelijkheidsverhouding niet als zelfstandige, cumulatieve vereisten mogen worden toegepast. Het is namelijk de afhankelijkheidsrelatie tussen een minderjarige burger van de Unie en de vreemdeling, die het nuttig effect van het burgerschap van de Unie in het geding kan brengen, aangezien die afhankelijkheid ertoe kan leiden dat de burger van de Unie als gevolg van die weigering gedwongen zal zijn niet alleen het grondgebied van de lidstaat waarvan hij de onderdaan is, maar eveneens het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten. De afhankelijkheidsverhouding vormt dus de grondslag voor het ontstaan van een afgeleid verblijfsrecht. Dat neemt echter niet weg dat een afhankelijkheidsverhouding doorgaans niet voorstelbaar is als een betrokkene niet meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht. Anderzijds is het verrichten van meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken niet zonder meer voldoende voor het doen ontstaan van een afhankelijkheidsverhouding.
5.3.
De rechtbank volgt verweerder verder niet in het standpunt dat eiseres niet eerder dan 5 januari 2015 een Chavez-verblijfsrecht had. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem heeft op 20 november 2009 [13] , inzake een beroep van eiseres over een aanvraag van 7 april 2008 om een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM, een uitspraak gedaan. In die uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil was dat tussen eiseres en haar dochter sprake is van familie- of gezinsleven, zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM viel echter niet in het voordeel van eiseres uit. De rechtbank overweegt dat, nu in die uitspraak van 20 november 2009 reeds is vastgesteld dat sprake was van familie- of gezinsleven tussen eiseres en haar dochter, verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het Chavez-verblijfsrecht van eiseres pas op 5 januari 2015 is ontstaan. De beroepsgrond slaagt.
Kan eiseres in aanmerking komen voor een afgeleid verblijfsrecht?
6.1.
Verweerder stelt dat eiseres niet in aanmerking komt voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU, gelet op het arrest K.A. van het
Hof van Justitie van 8 mei 2018. [14] Er is namelijk geen sprake van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in dat arrest.
6.2.
De rechtbank overweegt dat het Hof van Justitie in het arrest K.A. (punt 65) heeft gespecificeerd dat een situatie waarin tussen twee volwassenen familieleden een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat deze een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU doet ontstaan slechts in uitzonderlijke gevallen voorstelbaar is. Dit is het geval indien de betrokkene op geen enkele wijze kan worden gescheiden van het familielid van wie hij afhankelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aangetoond dat daar sprake van is.
Kan eiseres een verblijfsrecht krijgen op grond van artikel 8 van het EVRM?
7.1.
Verweerder heeft vastgesteld dat tussen eiseres en haar dochter wel sprake is van familie- en gezinsleven, maar heeft de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet in het voordeel van eiseres laten wegen. Daardoor heeft eiseres geen verblijfsrecht op grond van artikel 8 van het EVRM.
7.2.
De rechtbank overweegt dat, nu de rechtbank heeft vastgesteld dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat het Chavez-verblijfsrecht van eiseres pas op 5 januari 2015 is ontstaan, verweerder de belangenafweging opnieuw moet doen. De gedane belangenafweging is namelijk gekleurd door de vaststelling dat het Chavez-verblijfsrecht pas op 5 januari 2015 is ontstaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt.
7.3.
In het kader van finale geschilbeslechting geeft de rechtbank verweerder het volgende mee over de belangenafweging. De rechtbank draagt verweerder op om bij de belangenafweging te betrekken dat eiseres lange tijd rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland, nu het Chavez-verblijfsrecht van eiseres eerder is ontstaan.
7.4.
De rechtbank draagt verweerder ook op in de belangenafweging te betrekken dat uit de brief van het [ziekenhuis] van 15 april 2011, in tegenstelling tot wat verweerder hierover heeft gesteld, uitdrukkelijk blijkt dat eiseres bij alle afspraken van haar dochter in het ziekenhuis (sinds 2001) aanwezig is geweest. Uit die brief blijkt ook dat de maatschappelijk werker in 2010 ondersteunend contact heeft gehad met eiseres over haar dochter.
7.5.
De rechtbank draagt verweerder verder op om de omstandigheid dat de dochter van eiseres (in ieder geval) in 2017 een periode op het adres van haar vader stond ingeschreven niet in het nadeel van eiseres te laten wegen. Op de zitting heeft eiseres hierover toegelicht dat inschrijving op het adres van de vader slechts nodig was om een verblijfsdocument in te kunnen schrijven. De vader is verder nooit in beeld geweest in het leven van de dochter en heeft nooit voor haar gezorgd. In de uitspraak van 20 november 2009 is dit ook al zo vastgesteld. Daarin staat namelijk dat de vader in Engeland woonde, geen contact meer had met zijn dochter en geen alimentatie betaalde. In een brief van 11 april 2016, van de advocaat van de vader van de dochter, is dit opnieuw bevestigd. Daarin staat dat de vader niet belast wenst te worden met het gezag over de dochter, dat hij al jarenlang geen contact meer met haar heeft, dat hij niet geïnteresseerd is om een omgangsregeling af te spreken en dat de dochter uitsluitend door haar moeder wordt verzorgd en opgevoed.
Heeft eiseres recht op een schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van verweerder?
8.1.
Eiseres verzoekt om een schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van verweerder. Volgens eiseres zijn de gevolgen van het bestreden besluit niet te overzien. De toeslagen zijn gestopt, de arbeid is gestopt, de trauma’s bij haar dochter zijn weer aanwezig en haar dochter heeft studievertraging.
8.2.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit en dat een oorzakelijk verband aanwezig is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.
8.3.
De rechtbank overweegt hiertoe dat nog niet is vast komen te staan dat sprake is van een onrechtmatig besluit. Verweerder moet namelijk opnieuw een beslissing nemen op het bezwaar en daarin een nieuwe belangenafweging maken. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat eiseres de gestelde schade niet heeft onderbouwd.
Heeft eiseres recht op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?
9.1.
Eiseres verzoekt de rechtbank om haar een schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Volgens eiseres is er een bijzondere lange duur van onzekerheid, waardoor sprake is van schending van de redelijke termijn.
9.2.
De redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM start met de indiening van een bezwaarschrift. Voor het doen van uitspraak in eerste aanleg wordt, gelet op vaste rechtspraak, een termijn van in beginsel maximaal twee jaar als een redelijke termijn beschouwd. Binnen die termijn van twee jaar wordt het bestuursorgaan een beslistermijn gegund van zes maanden en heeft de rechtbank aansluitend een termijn van anderhalf jaar om uitspraak te doen. Gelet op vaste rechtspraak wordt een schadevergoeding toegekend van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan dat de redelijke termijn wordt overschreden door het bestuursorgaan en/of de bestuursrechter.
9.3.
Eiseres heeft op 7 april 2023 een bezwaarschrift ingediend. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar zou de procedure uiterlijk op 7 april 2025 afgerond moeten zijn met een uitspraak. Dat is niet gebeurd, de uitspraak is heden gedaan. De redelijke termijn is dus overschreden met negen maanden (afgerond naar boven). Er is geen rechtvaardiging voor de overschrijding van de redelijke termijn. Uitgaande van een schadebedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal naar boven wordt afgerond, zal de rechtbank aan eiseres een schadevergoeding van
€ 1.000,- toekennen.
9.4.
Vervolgens moet beoordeeld worden aan wie de overschrijding van de redelijke termijn moet worden toegekend. Na de heropening door de rechtbank heeft verweerder op 23 juli 2024 aangegeven een nieuwe beslissing te zullen nemen. Eiseres heeft vervolgens haar beroep ingetrokken. Verweerder heeft op 13 maart 2025 een nieuwe beslissing genomen. Eiseres heeft op 20 maart 2025 opnieuw beroep ingesteld. De rechtbank heeft heden uitspraak gedaan. Een redelijke behandelingsduur in beroep is niet overschreden als deze niet langer dan anderhalf jaar vanaf het instellen van het beroep heeft geduurd. De rechtbank heeft binnen deze redelijke behandelingsduur van anderhalf jaar uitspraak gedaan op het beroep van 20 maart 2025. Nu gelet daarop en gelet op het feit dat de rechtbank, vanaf de intrekking door eiseres van haar eerste beroep tot de nieuwe beslissing op bezwaar van verweerder van 13 maart 2025, geen invloed had op de behandeling van de zaak, wordt de overschrijding van de redelijke termijn volledig toegerekend aan verweerder.

Conclusie en gevolgen

10.1.
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. Verweerder moet een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres nemen, met inachtneming van deze uitspraak, in het bijzonder overwegingen 7.3, 7.4 en 7.5.
10.2.
Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiseres, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
10.3.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.814,-, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift, tevens verzoekschrift, heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verweerder moet ook het griffierecht aan eiseres vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 13 maart 2025, voor zover dat ziet op de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM,
  • draagt verweerder op om, met inachtneming van deze uitspraak, binnen acht weken na bekendmaking van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
2.Het arrest van het Europees Hof van Justitie 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
4.Op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Verdrag van Maastricht: ondertekend op 7 februari 1992 en in werking getreden op 1 november 1993.
7.Het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007.
8.Zie het arrest van het Hof van Justitie van 8 maart 2011, ECLI:EU:C:2011:124.
10.Zie de arresten van 20 september 2001, Grzelczyk, 17 september 2002, Baumbast en R, en eerder in het arrest aangehaalde arresten Garcia Avello, Zhu en Chen en Rottmann.
11.Basisregistratie Personen.
13.Deze zaken zijn geregistreerd onder zaaknummers AWB 09/15763 (beroep) en AWB 09/15764 (voorlopige voorziening).
14.C-82/16.