ECLI:NL:RBDHA:2025:26141

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
AWB 25/8081
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 Vreemdelingenwet 2000Art. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 20 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wegens verblijfsgat

Eiser, een Sudanese nationaliteit, heeft sinds 2018 verschillende verblijfsvergunningen gehad, waaronder studie, zoekjaar en arbeid als kennismigrant. Op 18 november 2024 diende hij een aanvraag in voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan de vereiste van vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf voorafgaand aan de aanvraag.

De rechtbank stelde vast dat eiser tussen 31 maart 2024 en 12 augustus 2024 geen geldige verblijfsvergunning had, ondanks dat hij een verblijfssticker had vanwege een zoekperiode. Dit verblijfsgat betekent dat hij niet voldoet aan artikel 21 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat hij legaal verbleef en actief naar werk zocht, maar kon geen bijzondere omstandigheden aantonen die het verblijfsgat rechtvaardigen.

De rechtbank oordeelde dat de minister geen beoordelingsruimte heeft bij de vijfjarige verblijfseis en dat het verblijfsgat een harde voorwaarde is. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de aanvraag werd afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser niet voldoet aan de vijfjarige aaneengesloten verblijfseis voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/8081

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Kuster).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 18 november 2024 een aanvraag ingediend voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Bij besluit van 10 januari 2025 (het primaire besluit) heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Hierin is ook beslist dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Eisers verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft de minister niet verlengd, omdat deze beoordeling prematuur is.
2. Bij besluit 11 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.
3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld
4. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 24 september 2025 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door een vriend als tolk, en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
6. Eiser heeft de Sudanese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1995. Aan eiser is van 1 september 2018 tot 20 oktober 2021 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘studie’ verleend. Eiser was vervolgens in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘zoekjaar’, die geldig was van 20 oktober 2021 tot 18 augustus 2022. Vanaf 18 augustus 2022 tot 31 maart 2024 was eiser in het bezit van een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid als kennismigrant’. Bij besluit van 7 mei 2024, waarin laatstgenoemde verblijfsvergunning niet is verlengd, is vermeld dat eiser tot 30 juni 2024 een zoekperiode heeft voor het vinden van nieuw werk als kennismigrant. Bij besluit van 19 augustus 2024 is eiser vanaf 12 augustus 2024 opnieuw in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘arbeid als kennismigrant’. Ter zitting is gebleken dat zijn huidige verblijfsvergunning tot 2030 loopt.
7. Op 18 november 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen dan wel een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag bij het primaire besluit afgewezen. Ook heeft de minister onder meer beslist dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
Het bestreden besluit
8. In het bestreden besluit heeft de minister vastgesteld dat eiser in bezwaar niet heeft bestreden dat hij niet in aanmerking komt voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Volgens de minister komt eiser ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Eiser beschikte namelijk niet over een niet-tijdelijke verblijfsvergunning vanaf 31 maart 2024 tot 12 augustus 2024. Hierdoor voldoet eiser niet aan de voorwaarde dat hij direct voorafgaand aan de aanvraag gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf op de in artikel 21 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) genoemde gronden heeft gehad.
Wat vindt eiser?
9. Eiser betoogt dat aan hem ten onrechte een verblijfsgat tussen 31 maart 2024 en
12 augustus 2024 wordt tegengeworpen, waardoor eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Eiser voert daartoe aan dat hij legaal in Nederland verblijft sinds 2018 en dus vijf jaar aaneengesloten verblijf heeft gehad. Vanaf april 2024 heeft eiser actief gezocht naar werk en vanaf augustus 2024 heeft eiser werk gevonden. Door omstandigheden buiten zijn macht is hij hier niet eerder in geslaagd. Hij heeft een verblijfssticker waaruit blijkt dat hij in Nederland mag blijven. Dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd vanwege het tegenwerpen van een verblijfsgat betekent dat eiser pas later een naturalisatieverzoek kan indienen en in bezit kan komen van een Nederlands paspoort. Het is voor eiser nu niet mogelijk om met zijn Sudanese paspoort zijn familie in [plaats] te bezoeken.
Wat zijn de regels?
10. In artikel 21, eerste lid, van de Vw is bepaald dat, voor zover relevant, de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van Pro de Vw van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e, l, dan wel op grond van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, slechts in een aantal gevallen kan worden afgewezen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
11. De rechtbank stelt vast dat eiser ook in beroep niet heeft bestreden dat hij niet in aanmerking komt voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. In geschil is dus uitsluitend of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.
12. De rechtbank stelt verder vast dat niet in geschil is dat eiser tussen 31 maart 2024 en 12 augustus 2024 niet beschikte over een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De betreffende besluiten over de beëindiging van de oude en over de ingang van de nieuwe verblijfsvergunning staan ook in rechte vast. Dat eiser in de vermelde periode beschikte over een verblijfssticker in verband met een hem gegunde zoekperiode laat onverlet dat dit geen rechtmatig verblijf is als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e, of l, van de Vw. Dit betekent dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 21 van Pro de Vw voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ten aanzien van deze voorwaarde in artikel 21 van Pro de Vw van het hebben van vijf achtereenvolgende jaren van rechtmatig verblijf direct voorafgaand aan de aanvraag op de in het artikel genoemde gronden, geen beslissingsruimte. [1] Dit betekent dat er slechts indien sprake is van bijzondere omstandigheden waar de wetgever geen rekening mee heeft gehouden aanleiding kan zijn om te toetsen of het evenredig is dat deze voorwaarde wordt tegengeworpen. Dergelijke bijzondere omstandigheden heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Dat het voor hem nu langer zal duren voordat hij mogelijk in aanmerking komt voor een Nederlands paspoort en de voordelen die dit met zich brengt, daarmee verschilt hij niet met anderen in een soortgelijke situatie. Dat hij stelt dat het niet aan hem te wijten is dat zijn arbeidscontract begin 2024 niet werd verlengd, is, wat hier ook van zij, evenmin een dergelijke bijzondere omstandigheid, nu het de wetgever niet kan zijn ontgaan dat er ook situaties zullen zijn dat vreemdelingen onverwijtbaar niet aan het verblijfsvereiste in artikel 21 van Pro de Vw kunnen voldoen. Eisers beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de minister hem een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd mocht weigeren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3114, r.o. 2