ECLI:NL:RVS:2023:3114
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen wegens ontbreken rechtmatig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 13 september 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 14 januari 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het daarop ingestelde beroep op 29 juni 2021 eveneens ongegrond.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had verwezen naar eerdere jurisprudentie en dat de discretionaire bevoegdheid van de staatssecretaris onvoldoende was benut, met name met betrekking tot het recht op een verblijfsvergunning voor vreemdelingen die in Nederland zijn geboren of voor hun vierde levensjaar in Nederland verbleven. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de kan-bepaling in artikel 21, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 juist een beperking van de beslissingsruimte van de staatssecretaris inhoudt en dat het vereiste van vijf jaar rechtmatig verblijf direct voorafgaand aan de aanvraag een bevoegdheidsvoorwaarde is.
De Afdeling bevestigde dat het ontbreken van rechtmatig verblijf direct voorafgaand aan de aanvraag een geldige grond is voor afwijzing van de aanvraag. Andere grieven van de vreemdeling werden niet inhoudelijk behandeld omdat deze niet relevant waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.