ECLI:NL:RBDHA:2025:26207

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
NL24.26758 en NL25.26049
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van een aanvraag om verlening van een mvv voor verblijf als familie- of gezinslid

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) beoordeeld. Eiser, van Colombiaanse nationaliteit, heeft de aanvraag ingediend met het doel om als familie- of gezinslid bij zijn zoon, referent, in Nederland te verblijven. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is, omdat verweerder niet in overeenstemming met een eerdere uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit op het bezwaar heeft genomen. Eiser had eerder bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag, welke op 6 september 2022 was afgewezen. Na een eerdere uitspraak op 28 maart 2024, waarin de rechtbank oordeelde dat verweerder een nieuw besluit moest nemen, heeft verweerder opnieuw het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat verweerder belangrijke elementen, zoals de samenwoning en de afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referent, niet voldoende heeft meegewogen in de beoordeling. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om binnen vier weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de rechtbank benadrukt dat de belangen van eiser en referent in de beoordeling moeten worden betrokken. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.26758 (beroep)
NL25.26049 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1968, van Colombiaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna te noemen: eiser,
(gemachtigde: mr. R. Heringa)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. A. Noordeloos).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een mvv [1] met als doel “verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent)” en het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Bij besluit van 6 september 2022 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 15 juni 2023 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Vervolgens heeft eiser beroep ingesteld.
1.2.
Met de uitspraak van 28 maart 2024 [2] heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
1.3.
Met het besluit van 17 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser op 1 juli 2024 beroep ingesteld. Eiser heeft ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
1.4.
Op 16 september 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 30 september 2025 op zitting behandeld [3] . Hieraan hebben deelgenomen: eiser, referent, de gemachtigde van eiser, D. Navarrete als tolk in de Spaanse taal en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het griffierecht
2. Eiser heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe.
Ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag om een verlening van een mvv op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Eiser komt uit Colombia en is samen met zijn zoon, referent, in 2011 naar
Nederland gekomen. In periodes in de jaren 2017 tot en met 2019 heeft referent bij zijn moeder in de VS [4] gewoond om daar zijn Spaanse nationaliteit te kunnen verkrijgen. Toen hij deze had, is hij weer naar zijn vader in Nederland gegaan. Op 13 mei 2022 heeft eiser onder andere [5] een mvv aangevraagd met als doel “verblijf als familie- of gezinslid bij referent”.
Besluitvorming
5. Met het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Volgens verweerder is geen sprake van beschermingswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM [6] tussen eiser en referent, omdat niet is gebleken dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hen. De Afdeling [7] heeft in haar uitspraak [8] van 27 maart 2024 geoordeeld dat niet langer een belangenafweging vereist is als er geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM wordt aangenomen. Daarom heeft verweerder de belangenafweging in het bestreden besluit achterwege gelaten.
Heeft verweerder een onjuist toetsingskader gehanteerd?
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hem en referent. Hij voert hiertoe allereerst aan dat verweerder een verkeerd toetsingskader hanteert door de toetsing te beperken tot de vraag of eiser zonder referent in staat is zelfstandig te functioneren.
6.1
De rechtbank volgt eiser daarin niet. De rechtbank verwijst voor haar motivering naar overweging 9.2. van de uitspraak van 28 maart 2024 en maakt deze overweging de hare.
Is het bestreden besluit met inachtneming van de uitspraak van 28 maart 2024 genomen?
7. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder bepaalde elementen, zoals de samenwoning tussen hem en referent, dat eiser naar de VS is gegaan om de Spaanse nationaliteit te verkrijgen om zijn vader te helpen en de financiële afhankelijkheid tussen eiser en referent ten onrechte niet heeft aangenomen, dan wel kenbaar heeft betrokken, in het bestreden besluit. Dat had volgens eiser wel gemoeten, gelet op de uitspraak van 28 maart 2024.
7.1
De rechtbank overweegt als volgt. In overweging 9.3.1. van de uitspraak van
28 maart 2024 noemt de rechtbank een aantal omstandigheden en gaat uit van de juistheid van deze omstandigheden, omdat deze niet door verweerder zijn betwist. De rechtbank komt vervolgens tot de conclusie dat verweerder deze omstandigheden niet kenbaar bij de beoordeling heeft betrokken. Het gaat daarbij om de volgende omstandigheden:
1. dat referent en eiser bijna altijd hebben samengewoond en dat ze dit vanaf
het tweede levensjaar van referent bovendien ook zonder de moeder van referent deden;
2. dat eiser voor referent zowel de vader- als de moederrol vervulde;
3. dat eiser en referent gezamenlijk naar Nederland zijn gekomen; en
4. dat eiser en referent altijd op elkaar aangewezen zijn geweest, ook door hun illegale verblijf in Nederland.
Ook is de rechtbank (in overweging 9.3.2) van oordeel dat verweerder het element van de samenwoning onvoldoende gemotiveerd heeft betrokken in de beoordeling of er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. De rechtbank overweegt:

Het staat vast dat referent tijdelijk naar de Verenigde Staten is verhuisd, maar referent heeft al tijdens de hoorzitting verteld dat hij naar de Verenigde Staten is gegaan om de Spaanse nationaliteit te verkrijgen. Ook heeft hij toen al verklaard dat hij makkelijk in de Verenigde Staten had kunnen blijven, maar dat hij ervoor heeft gekozen om naar Nederland terug te keren om bij zijn vader te verblijven. Ook deze elementen had verweerder kenbaar moeten meewegen”.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet met inachtneming van de uitspraak van 28 maart 2024 een nieuw besluit op het bezwaar heeft genomen. Reeds hierom is het beroep gegrond. De rechtbank legt dat hierna uit.
7.3.
In het bestreden besluit noemt verweerder dat eiser heeft aangevoerd dat hij altijd de vader- en moederrol voor zijn zoon uitvoerde, maar dat eiser dit niet heeft aangetoond. Over het samenwonen van eiser en referent stelt verweerder dat dit alleen voor wat betreft een korte periode is aangetoond [9] . Voor dergelijke standpunten is naar het oordeel van de rechtbank echter geen ruimte. In de uitspraak van 28 maart 2024 is de rechtbank immers uitgegaan van de juistheid van de omstandigheden (zoals genoemd in overweging 7.1., onder 1 en 2 van deze uitspraak), omdat verweerder dit niet heeft betwist. Verweerder heeft tegen de uitspraak van 28 maart 2024 geen hoger beroep ingesteld. Verweerder had bij het nieuw te nemen besluit er dan ook vanuit moeten gaan dat eiser de vader- en moederrol voor zijn zoon uitvoerde, dat eiser en referent bijna altijd hebben samengewoond en dat ze dit vanaf het tweede levensjaar van referent bovendien ook zonder de moeder van referent deden. Verweerder had vervolgens deze omstandigheden kenbaar dienen te betrekking bij de beoordeling.
7.4.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende gemotiveerd in de besluitvorming heeft betrokken dat eiser en referent altijd op elkaar aangewezen zijn geweest, ook door hun illegale verblijf in Nederland. Verweerder overweegt daarover dat hiervan geen bewijsstukken zijn overgelegd en dat de enkele verklaring van eiser hier niet voldoende voor is. Daarmee heeft verweerder ten onrechte niet beoordeeld of het altijd op elkaar aangewezen zijn meer dan gebruikelijke banden oplevert. Dat eiser en referent altijd op elkaar aangewezen zijn geweest, ook door hun illegale verblijf in Nederland, staat gelet op de uitspraak van de rechtbank van 28 maart 2024 ook niet ter discussie.
7.5.
Ook is de rechtbank van oordeel dat verweerder, temeer omdat de rechtbank in overweging 9.3.5 van de uitspraak van 28 maart 2024 verweerder dit expliciet heeft meegegeven, ten onrechte het volgende niet in de beoordeling heeft betrokken: dat referent naar de VS is gegaan om de Spaanse nationaliteit te verkrijgen, zodat het verblijf van eiser in Nederland mogelijk via hem gelegaliseerd kon worden, hij twee jaar (periodes) in de Verenigde State heeft verbleven, omdat de procedure om de Spaanse nationaliteit te verkrijgen nu eenmaal zo lang in beslag heeft genomen en hij eerder terug zou zijn gekomen naar Nederland als de procedure korter had geduurd. Daarbij heeft verweerder evenmin betwist en in de beoordeling betrokken dat referent niet twee jaar achter elkaar in de VS heeft doorgebracht, maar tussentijds ook in teruggekeerd naar zijn vader [10] .
7.6.
Tot slot volgt de rechtbank eiser niet in de stelling dat, gelet op overweging 9.3.3. van de uitspraak van 28 maart 2024, vaststaat dat eiser financieel afhankelijk is van referent. De rechtbank ziet dit namelijk niet terug in (die overweging van) de uitspraak.
Dient de rechtbank zelf in de zaak te voorzien?
8. Verweerder heeft volgens eiser nu driemaal een onrechtmatig besluit genomen. Daarom verzoekt eiser de rechtbank zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat op grond van artikel 8 van het EVRM een vrijstelling van het mvv-vereiste moet worden verleend en eiser in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning.
8.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan het verzoek van eiser te voldoen en zelf in de zaak te voorzien. Er is namelijk niet gebleken dat verweerder drie keer een onrechtmatig besluit heeft genomen. Verweerder heeft op 15 juni 2023 een beslissing op bezwaar genomen die is vernietigd met de uitspraak van 28 maart 2024. Daarmee is gebleken van één vernietigd besluit. Met deze uitspraak is sprake van in totaal twee vernietigde besluiten. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder niet in staat zou zijn het motiveringsgebrek te herstellen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat niet is gebleken dat verweerder niet in staat zou zijn het motiveringsgebrek te herstellen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken.
10. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van een voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom
af.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL24.26758,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak; en
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.26049,
- wijst het verzoek af.
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, (voorzieningen)rechter,
in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, voor zover het betreft de beslissing op het
beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze
uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag
waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep
niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige
voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een
voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf
2.Zaaknummer: NL23.20238.
3.Partijen hebben (per abuis) alleen een uitnodiging ontvangen voor de behandeling van het beroep. Op verzoek van de gemachtigde van eiser – en na akkoord van de gemachtigde van verweerder – is ook het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld.
4.Verenigde Staten van Amerika
5.Eiser heeft op 13 mei 2022 ook een aanvraag gedaan voor een verblijfsdocument EU/EER voor
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.Namelijk van 8 juni 2022 tot 17 oktober 2023, gelet op de inschrijving in de Basisregistratie Personen.
10.Zoals door de gemachtigde van eiser is aangevoerd in de brief van 13 mei 2024.