Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd en stelde beroep in bij de officier van justitie. Deze verklaarde het beroep gegrond en kende een proceskostenvergoeding toe van € 80,88 op basis van artikel 13a, tweede lid, van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).
Betrokkene ging hiertegen in beroep bij de kantonrechter met het argument dat artikel 13a, tweede lid, Wahv in strijd is met het discriminatieverbod. Tijdens de procedure herrekende de officier van justitie de proceskostenvergoeding zonder toepassing van de verminderingsfactor uit artikel 13a, tweede lid, Wahv, en betaalde betrokkene een aanvullend bedrag van € 469,37.
Op de zitting van 4 december 2025 verzocht de officier van justitie om terugbetaling van dit bedrag, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad. De kantonrechter oordeelde dat toepassing van artikel 13a, tweede lid, Wahv niet meer aan de orde is en dat betrokkene geen belang meer heeft bij het beroep, waardoor het niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Daarnaast wees de kantonrechter het verzoek tot terugbetaling af vanwege het verbod op reformatio in peius, omdat betrokkene door de beroepsprocedure niet in een nadeliger positie mag komen. De uitspraak werd gedaan door kantonrechter S. Pereth en griffier F. Hoppenbrouwer.