ECLI:NL:RBDHA:2025:26342

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
C/09/692906 / FA RK 25-7682
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging van gezag en omgangsregeling in een complexe gezinssituatie met betrokkenheid van de Raad voor de Kinderbescherming

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 12 december 2025 een beschikking gegeven over de wijziging van het gezag en de omgangsregeling van twee minderjarigen, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. De verzoekers, de oom en tante van de kinderen, hebben een zorgregeling verzocht, waarbij de kinderen deels bij hen en deels bij hun moeder verblijven. De moeder, die in het verleden met psychische problemen heeft geworsteld, heeft verweer gevoerd en verzocht om het eenhoofdig gezag over de kinderen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de moeder in het verleden gediagnosticeerd is met een bipolaire stoornis en borderline persoonlijkheidsstoornis, maar dat zij inmiddels stabiel is. De rechtbank heeft geoordeeld dat het in het belang van de kinderen is dat de moeder het eenhoofdig gezag krijgt, omdat de huidige situatie leidt tot onrust en conflicten die schadelijk zijn voor de kinderen. De rechtbank heeft de verzoeken van de oom en tante afgewezen en benadrukt dat de moeder de primaire verzorgster is. De Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd om de omgangsregeling voorlopig niet vast te stellen, gezien de verstoorde verhoudingen. De rechtbank heeft besloten dat de omgangsregeling in de toekomst opnieuw beoordeeld zal worden, afhankelijk van de verbetering van de communicatie tussen de betrokken partijen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-7682
Zaaknummer: C/09/692906
Datum beschikking: 12 december 2025

Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 9 oktober 2025 ingekomen verzoek van:

[de oom] en [de tante] ,

verzoekers, oom/ [verzoekers] respectievelijk tante,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. J.X.C. Peters te Woudenberg.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder/ [de moeder] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: C. Arslaner te Leidschendam.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandige verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 16 oktober 2025 van de zijde van verzoekers, met bijlage;
  • de brief van 4 november 2025 van de zijde van verzoekers, met bijlage;
  • de brief van 12 november 2025 van de zijde van verzoekers, met bijlagen;
  • de brief van 12 november 2025 van de zijde van verzoeker, met bijlage;
  • de brief van 12 november 2025 van de zijde van verzoeker, met bijlage;
  • de brief van 13 november 2025 van de zijde van de moeder, met bijlagen.
De minderjarige [de minderjarige 1] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.
Op 14 november 2025 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • verzoekers bijgestaan door hun advocaat;
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Verzoek en verweer

De oom en tante verzoeken:
ten aanzien van [de minderjarige 2] :
a.
primair:te bepalen dat er een zorgregeling c.q omgangsregeling wordt vastgesteld danwel te wijzigen, waarbij [de minderjarige 2] gedurende de helft van de week bij [de moeder] verblijft en de andere helft van de week bij [verzoekers] en wel:
primair:dat [de minderjarige 2] bij [verzoekers] verblijft iedere week van maandag uit school tot dinsdag voor school, van woensdag uit school tot donderdag voor school en vrijdag uit school tot zaterdag 17.00 uur, althans een vergelijkbare regeling;
subsidiair:eenmaal per 14 dagen van woensdag uit school tot vrijdag uit school en de andere week van woensdag uit school tot maandag voor school;
meer subsidiair:van maandag uit school tot vrijdag 18.00 uur;
subsidiair:indien het verzoek onder a wordt afgewezen, in die zin dat [de minderjarige 2] niet ongeveer de helft van de tijd bij [verzoekers] verblijft, een zorgregeling c.q. omgangsregeling te bepalen, waarbij zij van woensdag uit school tot donderdag voor school en van zondag 12.00 uur tot maandag voor school bij [verzoekers] verblijft, althans een zorgregeling vast te stellen c.q. te wijzigen die de rechtbank juist acht;
ten aanzien van [de minderjarige 1] :
een zorgregeling c.q. omgangsregeling te bepalen, waarbij [de minderjarige 1] bij [verzoekers] zal verblijven woensdag uit school tot donderdag voor school, dan wel dinsdag na school tot woensdag voor school, alsmede iedere zondag vanaf 12.00 uur tot maandag voor school, althans een zorgregeling die de rechtbank juist acht, met dien verstande dat het [de minderjarige 1] vrij staat contact te hebben met [verzoekers] als hij bij moeder verblijft;
ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] :
een vakantieregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] gedurende de helft van de schoolvakanties, te weten in de zomervakantie drie aaneengesloten weken bij [de moeder] en drie aaneengesloten weken bij [verzoekers] , in de kerstvakantie één aaneengesloten week bij [verzoekers] en één week bij [de moeder] , te weten in de oneven jaren in de eerste week inclusief de kerst bij [verzoekers] en in de even jaren bij [de moeder] , in de meivakantie één aaneengesloten week bij [de moeder] en één aaneengesloten week bij [verzoekers] , te bepalen dat de zorgregeling gedurende de herfstvakantie en voorjaarsvakantie doorloopt, althans een vakantieregeling die de rechtbank juist acht;
en bij wege van de provisionele verzoeken:
-
primair:te bepalen dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] woensdag uit school tot donderdag voor
school en op zondag 12.00 uur tot maandag voor school bij [verzoekers] verblijven,
althans een voorlopige zorgregeling c.q. omgangsregeling tot het moment dat de
rechtbank op de bodemverzoeken voorlopig of definitief heeft beslist ter zake de
zorgregeling en omgangsregeling;
-
subsidiair: een andere voorlopige zorgregeling c.q. omgangsregeling te bepalen ten
aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , en wel ten aanzien van [de minderjarige 2] op woensdag uit school tot
donderdag voor school en van zondag 12.00 uur tot maandag voor school en ten
aanzien van [de minderjarige 1] van dinsdag uit school tot woensdag voor school en op zondag
12
uur met overnachting, dan wel, meer subsidiair, zonder overnachting, dan
wel een andere door de rechtbank te bepalen voorlopige regeling, tot het moment
dat de rechtbank op de bodemverzoeken voorlopig of definitief heeft beslist;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt zelfstandig te bepalen dat het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voortaan alleen aan de vrouw toekomt, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

Feiten

 De moeder is van [datum 1] 2012 tot [datum 2] 2016 gehuwd geweest met [naam 2] .
 Tijdens dit huwelijk is uit de moeder geboren: [de minderjarige 1] (hierna: [de minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] , [land] .
 In de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 11 augustus 2015 tussen de moeder en [naam 2] is – voor zover hier van belang – bepaald dat voortaan alleen aan de moeder het gezag toekomt over [de minderjarige 1] .
 [naam 3] (hierna: [naam 3] ) is de biologische vader van [de minderjarige 1] .
 De moeder en [naam 3] hebben in een ‘Parental Responsibility Agreement’ van 1 juni 2023 te [plaats] het volgende verklaard: “We declare that we are the mother and father of the above child and we agree that the child’s father shall have parental responsibility for the child (in addition to the mother having parental responsibility).”
 Op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats 2] is uit de moeder geboren: [de minderjarige 2] (hierna: [de minderjarige 2] ). [de minderjarige 2] heeft geen juridische vader. De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 2] belast.
 Blijkens de uittreksels uit de Basisregistratie personen hebben verzoekers, de moeder en de minderjarigen – in ieder geval – de Nederlandse nationaliteit.
 Bij beschikking van deze rechtbank van 25 januari 2024 is – voor zover hier van belang – bepaald dat de oom samen met de moeder belast wordt met het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .

Beoordeling

Gezag en omgangs- c.q. zorgregeling

Inleiding
Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gekomen, is het volgende gebleken. De moeder heeft twee kinderen, ieder met een andere biologische vader. De biologische vader van [de minderjarige 2] is niet in beeld. De biologische vader van [de minderjarige 1] , [naam 3] , vervult geen actieve vaderrol, maar komt in de schoolvakanties wel naar Nederland om tijd door te brengen met [de minderjarige 1] (en [de minderjarige 2] ).
Tante is een oudere zus van de moeder en getrouwd met de oom. Zij hebben geen eigen kinderen. De tante is psychiater en de oom is manager. Zij zijn samen eigenaar van [bedrijfsnaam 1] Kliniek. De moeder heeft vanaf 2017 tot eind juli 2025 als hoofd van één van de vestigingen bij [bedrijfsnaam 1] Kliniek gewerkt.
De moeder heeft in het verleden moeilijke perioden gekend. In die perioden zijn de oom en tante intensief betrokken geweest bij de opvoeding van de kinderen, waarbij met name de oom ook thuis bleef om voor de kinderen te zorgen. Zo hebben zij, samen met de moeder en de kinderen, gedurende bepaalde perioden in hetzelfde huis gewoond. Op deze manier konden de oom en tante, de moeder zo goed mogelijk ondersteunen.
In 2023 hebben de persoonlijke problemen van de moeder geleid tot betrokkenheid van de jeugdbeschermingstafel. Deze heeft geadviseerd een beschermingsonderzoek te starten. Uiteindelijk heeft dit onderzoek geen doorgang gevonden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 25 januari 2024 bepaald dat de oom mede met het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt belast. In die beschikking is hierover het volgende overwogen:
“De oom en tante en de moeder hebben toegelicht dat de moeder is gediagnosticeerd met een bipolaire affectieve stoornis en een onderliggende borderline persoonlijkheidsstoornis. Zij is het afgelopen jaar opgenomen geweest in een psychiatrische kliniek en op de HIC-afdeling van GGNet in Doetinchem. De oom en tante zijn al jaren betrokken bij de zorg en
opvoeding van de kinderen en hebben een goede band met de kinderen. Om te voorkomen
dat de kinderen door de moeder naar het buitenland worden meegenomen als zij een
terugval krijgt - zoals in het verleden al eens is gebeurd - en om ervoor te zorgen dat er
beslissingen over de kinderen kunnen worden genomen in de periodes dat het slecht met de
moeder gaat en moet worden opgenomen, is het de wens van partijen dat de oom mede met
het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt belast.
[de minderjarige 1] heeft in een gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij het eens is met het
verzoek. [naam 3] , de biologische vader van [de minderjarige 1] , heeft goed en regelmatig contact met zijn
zoon. Hij is het ook eens met het verzoek.
Tegen deze achtergrond is het volgens de rechtbank in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] dat de
oom mede met het gezag wordt belast. Zij zal het verzoek daarom toewijzen.”
Eind 2024 heeft Veilig Thuis het volgende geadviseerd.
“In 2023 en op 31-10-2024 zijn er zorgen gemeld bij Veilig Thuis. Het is onze taak om deze zorgen te onderzoeken en advies te geven. Als het nodig is organiseren wij hulp. Veilig Thuis heeft het afgelopen anderhalf jaar twee keer met u, moeder, GGZ Rivierduinen en [naam 4] van de [bedrijfsnaam 2] gesproken. Ons laatste gesprek was op 7 november 2024 naar aanleiding van de nieuwe melding. Wij hebben het gehad over de veiligheid bij moeder thuis. Wij zien dat het haar lukt om, op een incident na, stabiel te blijven. Er is passende hulpverlening bij haar en de kinderen betrokken en zij heeft een stabiel netwerk om haar heen waar zij op terug kan vallen, waaronder u als andere gezaghebbende voor de kinderen. Veilig Thuis vindt dat de thuissituatie veilig (genoeg) is. Veilig Thuis sluit het dossier. Wij zullen dit ook delen met de [bedrijfsnaam 2] en Oog voor Thuis. Veilig Thuis heeft een aanmelding bij Oog voor Thuis gedaan met uw instemming. Oog voor Thuis zal met de [bedrijfsnaam 2] afstemmen over de uitbreiden van de huidige hulpverlening. Zij ontvangen een eigen overdrachtsbrief met informatie over de betrokkenheid van Veilig Thuis.”
Uit voornoemde beschikking van 25 januari 2024 blijkt dat de oom en tante hebben toegelicht dat bij de moeder in het verleden een bipolaire affectieve stoornis en een onderliggende borderline persoonlijkheidsstoornis zouden zijn vastgesteld. De tante heeft verklaard dat deze diagnose destijds (in augustus 2022) officieel bij de moeder is vastgesteld.
De moeder betwist inmiddels dat deze diagnose juist is. Zij verwijst daarbij naar een door haar overgelegde brief van een Turkse psychiater, die haar slechts één keer online heeft gesproken en naar aanleiding van dat gesprek een diagnose heeft geformuleerd. Volgens de moeder kan op basis van één enkel gesprek niet van een geldige diagnose worden uitgegaan. De tante houdt echter vast aan de juistheid van de eerder gestelde diagnose en stelt dat deze diagnose ook in Nederland is bevestigd, hetgeen de moeder weerspreekt en ook niet uit het dossier blijkt.
Behandelaar [naam 4] , waarover hierna meer, benoemt dat de diagnose bipolaire stoornis is gesteld “door een psychiater in [land] , op basis van informatie van derden en een kort online contact”.
De moeder heeft op basis van deze diagnose via GGZ Rivierduinen medicatie ontvangen die verband hield met een bipolaire stoornis en verslavingsproblematiek. Uit de afsluitingsbrief van GGZ Rivierduinen van 7 augustus 2024 blijkt dat zij uiteindelijk werd ingesteld op olanzapine, depakine en sertraline.
Tante heeft de moeder in contact gebracht met [naam 4] , registerpsycholoog. [naam 4] heeft een eigen praktijk ( [bedrijfsnaam 2] ) en werkt samen met de [bedrijfsnaam 1] Kliniek. De moeder is vervolgens bij [naam 4] in behandeling gegaan. Tijdens deze behandeling gebruikte de moeder verschillende medicijnen, te weten Depakine, Olanzapine, Lamotrigine en Venlafaxine. De tante heeft op zitting erkend dat zij herhaalrecepten voor moeder uitschreef.
Omdat de moeder zich door deze medicatie niet goed voelde en last kreeg van lichamelijke klachten, is begin 2025 – in overleg met [naam 4] en de tante – een gefaseerd afbouwschema opgesteld. [naam 4] heeft hierover het volgende gerapporteerd:
“In overleg is een gefaseerd afbouwschema opgesteld, met betrokkenheid van psychiater M. [verzoekers] en onder consultatieve begeleiding van mij als regiebehandelaar. De wens tot medicatieafbouw kwam mede voort uit lichamelijke klachten, waaronder leverwaarden, ijzerstapelingen en bijwerkingen van Depakine. Cliënte heeft eerder een traject gevolgd bij Brijder en is al twee jaar abstinent van alcohol. Cliënt geeft aan zich lichamelijk en psychisch stabiel te voelen.”
De moeder heeft haar behandeling bij [naam 4] beëindigd, omdat zij van mening was dat [naam 4] onvoldoende onafhankelijk was en te nauw betrokken was bij de [bedrijfsnaam 1] Kliniek en tante.
[de minderjarige 2] was van april 2024 tot juni 2025 eveneens onder behandeling bij [naam 4] van [bedrijfsnaam 2] , onder meer voor hechtingsproblematiek en de verwerking van trauma’s. De moeder heeft eind juni 2025 ook de behandeling van [de minderjarige 2] bij [naam 4] beëindigd.
Naast de behandelingen die [de minderjarige 2] en de moeder bij [naam 4] volgden, is Oog voor Thuis betrokken bij het gezin. Oog voor Thuis heeft [de minderjarige 2] doorverwezen naar Family Supporters voor verdere behandeling. Uit de e-mail van 8 oktober 2025 van Family Supporters blijkt dat zij tot de conclusie zijn gekomen dat er op dit moment te veel onrust en onduidelijkheid bestaat binnen het systeem van [de minderjarige 2] om bij Family Supporters een behandeling te kunnen starten. Voor het kunnen opstarten van een behandeling is het noodzakelijk dat eerst een stabielere basis wordt gecreëerd. Daarbij is met name meer duidelijkheid en rust nodig met betrekking tot de zorgregeling, de verschillende visies van de gezaghebbenden en de onderlinge communicatie tussen hen. Family Supporters heeft daarom besloten geen behandeling met [de minderjarige 2] te starten.
Incident moeder en tante
Op 6 april 2025 heeft een incident plaatsgevonden waarbij de tante zich grensoverschrijdend heeft uitgelaten tegenover de moeder. Aanleiding voor het incident waren beschuldigingen over en weer tussen de tante en de moeder met betrekking tot het vermeende seksueel misbruik van [de minderjarige 2] door de vorige partner van moeder. Daarbij speelde de relatie die moeder inmiddels had met een psychiator die werkzaam was voor de [bedrijfsnaam 1] Kliniek, eveneens een rol.
De tante heeft inmiddels haar excuses aan de moeder aangeboden. Ondanks deze excuses is het contact tussen moeder en tante sindsdien moeizaam verlopen. Dit heeft ook gevolgen gehad voor het contact tussen de kinderen en de oom en tante. De kinderen zijn nog wel bij hen geweest, maar minder vaak dan de oom en tante in het belang van de kinderen achten. Om die reden hebben de oom en de tante onderhavige procedure gestart, zodat een zorgregeling kan worden vastgesteld. Zij willen graag een regeling waarbij [de minderjarige 2] de helft van de week bij de oom en de tante verblijft en [de minderjarige 1] twee keer in de week (met overnachting) bij de oom en de tante verblijft.
De moeder is het hier niet mee eens. Volgens de moeder hebben de kinderen herhaaldelijk aangegeven niet meer bij de oom en de tante te willen overnachten. Ze willen wel contact met hen houden, maar in een beperktere vorm dan door oom en tante voorgesteld. Daarnaast heeft moeder zeker sinds het incident geen vertrouwen meer dat de kinderen veilig zijn bij de oom en de tante.
De oom en tante hebben nog geprobeerd om in onderling overleg afspraken met de moeder te maken, maar dit is niet gelukt. Sinds de indiening van het onderhavig verzoekschrift is er geen contact meer geweest tussen oom en tante en de kinderen.
Advies Raad
Tijdens de zitting heeft de Raad naar voren gebracht dat zij zich ernstige zorgen maakt over de emotionele veiligheid van de kinderen. De Raad constateert dat iedereen in de omgeving van de kinderen, waaronder de school, de familie en de hulpverleners, worden betrokken in de strijd tussen enerzijds de oom en tante en anderzijds de moeder. Verklaringen van al deze betrokkenen worden in deze procedure als bewijs ingebracht.
Hoewel voor de Raad onduidelijk is hoe stabiel de moeder momenteel is, vraagt zij zich af of het nog in het belang van de kinderen is dat de oom mede met het gezag is belast. Volgens de Raad heeft de voortdurende strijd rondom het gezag ertoe geleid dat het leven van de kinderen op zijn kop staat. De Raad acht het daarom van groot belang dat er duidelijkheid komt voor de kinderen.
De Raad is van mening dat regie moet worden gevoerd door een onafhankelijke partij. Zij adviseert dan ook om óf direct een jeugdbeschermingsonderzoek te gelasten, óf een beslissing te nemen over het gezag, onder de voorwaarde dat de moeder zich wendt tot Oog voor Thuis voor regievoering en meewerkt aan het opstarten van hulpverlening bij Family Supporters. Binnen die hulpverlening dienen tevens de communicatie en de onderlinge verhoudingen met de oom en de tante aan bod te komen, zodat afspraken over een omgangsregeling kunnen worden gemaakt.
Inhoudelijke beoordeling gezag
Op grond van artikel 1:253v lid 1 BW zijn de bepalingen van artikel 1:253n BW tevens van toepassing op de gezamenlijke gezagsuitoefening door de ouder en de ander die tevens het gezag uitoefent, zoals hier aan de orde.
Op grond van artikel 1:253n eerste lid van het BW kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de ouder en de ander die tevens het gezag uitoefent of één van hen beëindigen, als later de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of als wijziging van het gezag anderszins noodzakelijk is in het belang van het kind.
De moeder stelt dat zij in 2023 aanvankelijk alleen akkoord is gegaan met de gezagswijziging, omdat zij ervan uitging dat dit tijdelijk zou zijn. Daarnaast was zij ten tijde van de indiening van het verzoek zodanig onder invloed van medicatie dat zij niet volledig heeft kunnen overzien waarmee zij instemde. Inmiddels heeft de moeder, mede naar aanleiding van het incident in april, geconcludeerd dat zij het gezag niet langer met de oom wenst te delen. Volgens de moeder bemoeien de oom en de tante zich in een te grote mate met de opvoeding van de kinderen en proberen zij met het ingediende verzoek de kinderen bij de moeder weg te houden. Dit zorgt er volgens de moeder voor dat de kinderen in een loyaliteitsconflict terecht komen, wat niet in hun belang is. De moeder is ervan overtuigd dat zij de opvoeding inmiddels zelf kan dragen en wenst daarom het eenhoofdig gezag terug te krijgen. Op het moment dat zij met het eenhoofdig gezag is belast, staat zij weer open voor een omgangsregeling tussen de oom en de tante en de kinderen.
Verzoekers wensen dat de oom het gezag behoudt. Gebleken is dat de oom in de afgelopen twee jaar (waarin hij mede met het gezag was belast) een terughoudende houding heeft ingenomen ten aanzien van gezagsbeslissingen en dat de moeder in die periode leidend is geweest. Volgens verzoekers heeft de uitoefening van het gezag dan ook goed gefunctioneerd. Verzoekers menen echter dat het van belang is dat de oom het gezag behoudt, zodat hij betrokken kan blijven bij gesprekken met de school en bij de hulpverlening. Daarnaast vrezen verzoekers dat de moeder, gelet op het verleden, impulsieve beslissingen zal nemen. Zo zijn de oom en tante bang dat de moeder de kinderen zonder toestemming mee naar het buitenland zal nemen. In 2015 heeft de moeder dit eerder gedaan, waarna de oom en de tante [de minderjarige 1] gedurende twee jaar niet hebben gezien. Tijdens de zitting hebben verzoekers bovendien aangegeven dat zij het gezag mede wensen te behouden om te voorkomen dat zij volledig het contact met de kinderen verliezen.
De rechtbank ziet aanleiding om het gezag te wijzigen en legt hierna uit waarom.
De rechtbank stelt voorop het zeer zorgelijk te vinden dat de oom en tante de medisch/psychiatrische hulp voor moeder binnen hun eigen invloedssfeer hebben gehouden, door [naam 4] te vragen als regiebehandelaar en tante herhaalrecepten uit te laten schrijven. Moeder is zich inmiddels hiervan bewust en dit heeft de relatie tussen de oom en de tante enerzijds en de moeder anderzijds onder druk gezet. Dat heeft een negatief effect op het voor het nemen van gezagsbeslissingen benodigde overleg.
Voorts worden de kinderen op dit moment betrokken in de strijd rondom het gezag tussen de oom en de moeder. De kinderen worden geconfronteerd met de ruzies en beschuldigingen tussen enerzijds de oom en tante en anderzijds de moeder. Daarbij stellen de oom en tante zich niet terughoudend op. Zo is tijdens de zitting gebleken dat de oom en tante de kinderen onder meer foto’s van camerabeelden hebben laten zien waarop het incident tussen tante en moeder is vastgelegd. Ook hebben de oom en tante de biologische vader van [de minderjarige 1] , [naam 3] , betrokken in de ruzie, door verklaringen van hem in deze procedure over te leggen en hem recent zelfs bij [bedrijfsnaam 1] Kliniek in dienst te nemen. Dit is schadelijk voor de vertrouwensband die [de minderjarige 1] (en in mindere mate ook [de minderjarige 2] ) met hem hebben. Dit geldt evenzo voor de omstandigheid dat de oom en tante aan andere familieleden hebben gevraagd om verklaringen die vervolgens in deze procedure zijn overgelegd. De situatie is nu zodanig geëscaleerd dat de hulpverlening voor [de minderjarige 2] is stil komen te liggen, omdat Family Supporters vaststelt dat er te veel onrust en onduidelijkheid bestaat om haar behandeling te kunnen bieden.
De rechtbank is van oordeel dat er op dit moment een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem of verloren raken tussen partijen indien het gezamenlijk gezag, en de strijd daaromheen, zou voortduren. Gelet op dit risico en de behoefte van de kinderen aan stabiliteit en rust, zal de rechtbank bepalen dat de moeder voortaan met het eenhoofdig gezag wordt belast. Daarbij betrekt de rechtbank voorts dat de moeder duidelijk heeft aangegeven om bereid te zijn mee te werken met de door de Raad genoemde hulpverlening.
Ten slotte overweegt de rechtbank in dit verband nog dat ter zitting is gebleken dat ook de oom en tante in 2024 het idee hadden dat de oom slechts tijdelijk mede het gezag zou uitoefenen, gelet op de problemen van de moeder destijds. Nu de moeder inmiddels stabiel is, is dat des te meer reden om het gezag te wijzigen.
Omdat de moeder met het eenhoofdig gezag zal worden belast, zal de rechtbank hierna spreken van een omgangsregeling in plaats van een zorgregeling.
Inhoudelijke beoordeling omgangsregeling
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzegt.
Vaststaat dat de oom en tante altijd nauw betrokken zijn geweest bij het leven van de kinderen en dat zij in een nauwe persoonlijke betrekking tot hen staan. Zij hebben vanaf jonge leeftijd op verschillende momenten mede voor de kinderen gezorgd (ook wanneer de moeder daartoe niet in staat was), waardoor zij belangrijke hechtingsfiguren voor de kinderen zijn geworden. Het is daarom in het belang van de kinderen dat het contact met de oom en tante op termijn wordt behouden.
Gelet op de huidige, sterk verstoorde verhoudingen en de schadelijke impact hiervan op de kinderen, ziet de rechtbank op dit moment geen ruimte om een omgangsregeling vast te stellen. Zoals ook door de Raad is benadrukt, dienen de oom en tante te accepteren dat de moeder de primaire verzorgster van de kinderen is en dat het, in het belang van de kinderen, noodzakelijk is dat zij voorlopig een stap terug doen. De kinderen hebben rust nodig. Het is begrijpelijk dat de oom en tante, mede gezien het verleden van de moeder, zorgen hebben, maar de moeder moet nu de gelegenheid en ruimte krijgen om haar rol als ouder op een stabiele wijze vorm te geven.
Omdat de communicatie en verstandhouding tussen partijen zeer moeizaam verloopt, is de rechtbank het eens met het advies van de Raad dat er door een onafhankelijke partij regie moet worden gevoerd zodat partijen, met ondersteuning van een regievoerder, de onderlinge verhoudingen kunnen herstellen. De rechtbank acht het van groot belang dat partijen, zo snel mogelijk, met elkaar in gesprek gaan om bestaande emoties, verdriet en frustraties uit te spreken, zodat op termijn de omgang weer kan plaatsvinden. De rechtbank verwacht van de moeder (als gezaghebbende ouder) dan ook dat zij Oog voor Thuis inschakelt voor regievoering en andere hulpverlening zoekt, bijvoorbeeld via Family Supporters, ter verbetering van de onderlinge verhouding en communicatie. De rechtbank gaat er vanuit dat de oom en tante daaraan zullen meewerken.
Zodra de verhoudingen tussen partijen voldoende zijn hersteld en de communicatie is verbeterd, kan er worden gekeken naar een passende omgangsregeling. Het staat partijen vrij om, zodra zij daaraan toe zijn, bij de hulpverlening alvast afspraken te maken over het contact en de omgang met de kinderen.
Omdat de rechtbank het van belang acht dat de oom en de tante binnen afzienbare tijd weer omgang hebben met de kinderen, zal zij een vinger aan de pols houden en bepalen dat de behandeling van de zaak met betrekking tot de omgangsregeling slechts een korte periode wordt aangehouden. Het is de bedoeling dat partijen in deze periode onder begeleiding van betrokken hulpverlening werken aan verbetering van de onderlinge verhoudingen en de communicatie. In het dictum van deze beschikking bepaalt de rechtbank een datum voor een voortzetting van de mondelinge behandeling.
Provisioneel verzoek ex artikel 223 Rv
Op grond van artikel 223, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van
artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533)
Nu de rechtbank in de bodemprocedure reeds een beslissing heeft genomen over hetzelfde onderwerp als in het kader van artikel 223 Rv, zal de rechtbank de provisionele verzoeken afwijzen bij gebrek aan belang.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder het gezag zal toekomen over de minderjarige:
- [de minderjarige 1] (hierna: [de minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ,
[land] ;
- [de minderjarige 2] (hiarna: [de minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats 2] ;
en verklaart deze gezagsvoorziening uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de provisionele verzoeken af;
bepaalt dat het verzoek inzake de omgangsregeling zal worden behandeld op de zitting van
dinsdag 31 maart 2026 om 10.00 uurin aanwezigheid van de Raad;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
de minderjarig [de minderjarige 1] zal wederom in de gelegenheid worden gesteld afzonderlijk door de rechter te worden gehoord en daartoe nogmaals door de griffier worden opgeroepen;
bepaalt dat partijen de rechtbank
uiterlijk 21 maart 2026dienen te informeren over de stand van zaken, in ieder geval met betrekking tot de hulpverlening;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling en de proceskosten aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Visser als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2025.