4.2Boete en kennisgeving artikel 5:48 en 5:53 van de Algemene wet
bestuursrecht
Naast de gevolgen voor de belastingheffing leg ik ook een vergrijpboete op. Dit op basis van artikel 67f van de AWR en de bepalingen van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.
Het bovenstaande heeft ertoe geleid dat er te weinig omzetbelasting is aangegeven en betaald.
Van de directie mocht worden verwacht dat zij zich zou overtuigen van de fiscale aanvaardbaarheid van de bovenbedoelde feiten. Dit heeft zij kennelijk nagelaten.
De vergrijpboete bedraagt voor de omzetbelasting 25 % en heeft als grondslag het bedrag van de naheffingsaanslag een en ander voor zover dat bedrag als gevolg van grove schuld van de belastingplichtige niet is betaald.”
6. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag 2016 - 2019 heeft verweerder (in plaats van een vergrijpboete) een verzuimboete van 10% opgelegd wegens het niet of niet tijdig betalen van de verschuldigde omzetbelasting.
Geschil7. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld, of de verzuimboete voor 2015 terecht is opgelegd en of terecht belastingrente in rekening is gebracht. Daarnaast is zijn de beschikkingen, waarin verweerder geen teruggaaf van omzetbelasting heeft verleend, in geschil.
8. Eiseres beantwoordt deze vragen ontkennend en tevens verzoekt zij om vergoeding van de werkelijke proceskosten. Zij voert daartoe aan:
- De bezwaren zijn niet deugdelijk en binnen een redelijke termijn behandeld;
- Het hoorrecht is geschonden;
- Het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel zijn geschonden;
- Verweerder heeft ten onrechte geen rekening heeft gehouden met aftrek van voorbelasting uit 2014;
- Verweerder heeft voor 2016 ten onrechte de aftrek van voorbelasting op de kosten van een domeinnaam gecorrigeerd;
- Verweerder heeft voor 2017 ten onrechte de aftrek van voorbelasting op de verbouwingskosten, de computerkosten en de huurkosten gecorrigeerd;
- Verweerder heeft voor de jaren 2017, 2018 en 2019 ten onrechte privégebruik auto gecorrigeerd;
- Verweerder heeft voor 2018 en 2019 ten onrechte leningen aangemerkt als omzet;
- Verweerder had de verzoeken om teruggaaf moeten toewijzen;
- Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de suppletieaangifte voor 2018;
- Het is aan verweerder is te wijten dat er moet worden geprocedeerd over de afwijzende teruggaafbeschikkingen.
9. Verweerder stelt dat de verzuimboete die tegelijk met de naheffingsaanslag
2016 - 2019 is opgelegd, dient te vervallen. Voor het overige betwist verweerder de stellingen van eiseres en stelt verweerder dat de uitspraken op bezwaar juist zijn en in stand moeten blijven.
Beoordeling van het geschil
Verzoek om aanhouding van de zitting
10. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat zij zich niet kan verweren, omdat zij niet de beschikking heeft over de stukken van het geding. Zij heeft van de griffie van de rechtbank vernomen dat alle stukken in een digitaal dossier zitten. Eiseres is echter niet bekend met een digitale procedure. Verder is zij veel te laat op de hoogte gesteld van de zittingsdatum.
11. De rechtbank heeft het betoog van eiseres opgevat als een nieuw verzoek om aanhouding van de zitting. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen. Zoals de rechtbank hiervoor onder het procesverloop al heeft overwogen, is eiseres tijdig op de hoogte gesteld van de zittingsdatum. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat eiseres in deze zaken niet digitaal procedeert en dat alle stukken van verweerder en alle brieven van de rechtbank per post aan eiseres zijn toegezonden op het adres [adres 1] te [plaats] .
Dat de gemachtigde van eiseres niet of niet meer de beschikking heeft over de stukken van het geding komt dan ook voor rekening en risico van eiseres. De rechtbank heeft in de door eiseres aangevoerde redenen dan ook geen aanleiding gezien om de zitting alsnog aan te houden.
12. Eiseres stelt dat het hoorrecht is geschonden, doordat verweerder te weinig tijd heeft genomen voor het hoorgesprek.
13. De rechtbank stelt vast dat er twee keer een hoorgesprek heeft plaats gevonden. Op 6 april 2022 is onder andere de organisatiestructuur is besproken en op 28 april 2022 zijn onder andere meer specifiek de onderhavige zaken besproken.
Uit de opgestelde hoorverslagen volgt niet dat er te weinig tijd was om alles te bespreken. Ook anderszins is niet gebleken dat eiseres heeft verzocht om het hoorgesprek op een andere dag voort te zetten of dat zij heeft aangegeven dat zij niet alles heeft kunnen bespreken. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het hoorrecht is geschonden.
Schending zorgvuldigheidsbeginsel/motiveringsbeginsel?
14. Eiseres stelt dat in de naheffingsaanslagen en de uitspraken op bezwaar geen wettelijke gronden worden aangevoerd en dat de berekening van de naheffingsaanslag
2016 - 2019 in de uitspraak op bezwaar onbegrijpelijk is. Volgens eiseres is hiermee het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel geschonden.
15. Bij brief van 11 november 2020 is eiseres geïnformeerd over de voorgenomen correcties over het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015. Verder worden in het rapport van het boekenonderzoek de correcties over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2019 vermeld en de redenen waarom deze correcties worden aangebracht. Ook staat in dat rapport toegelicht waarom de verzoeken om teruggaaf worden afgewezen. Eiseres is aldus voldoende geïnformeerd. Ook heeft verweerder bij brief van 28 oktober 2022 de uitspraken op bezwaar uitvoerig gemotiveerd. Van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en/of het motiveringsbeginsel is derhalve geen sprake.
Aftrek voorbelasting 2014
16. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met aftrek van voorbelasting voor 2014. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij op 1 maart 2019, en dus tijdig, een suppletieaangifte heeft ingediend voor het verlengde boekjaar 2014 - 2015. Verweerder heeft nooit duidelijk gemaakt dat geen (suppletie)aangifte omzetbelasting kan worden gedaan voor een verlengd boekjaar. Door hierover onduidelijk te blijven, dient het subsidiariteitsbeginsel te gelden. Namelijk dat bij twijfel de belastingplichtige het voordeel van de twijfel gegund moet worden. Verder stelt eiseres dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van détournement de pouvoir heeft geschonden door eiseres niet eerder te informeren over het feit dat suppletieaangiften per kalenderjaar moeten worden ingediend. Ook heeft eiseres in dit verband een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Tot slot heeft zij gesteld dat de verjaring van het jaar 2014 is gestuit door de indiening van de suppletieaangifte.
17. Eiseres heeft op 1 maart 2019 een suppletieaangifte ingediend. Bij de vraag op welk tijdvak de suppletie betrekking heeft, is ingevuld: 1 januari 2015 tot en met
31 december 2015. Pas tijdens het boekenonderzoek is gebleken dat in die suppletieaangifte ook een aftrek van voorbelasting voor 2014 was begrepen. Verweerder heeft eiseres verzocht om de facturen die op die voorbelasting betrekking hebben te overleggen. Eiseres heeft die facturen tot op heden niet verstrekt. Reeds daarom is terecht geen rekening gehouden met de in die suppletieaangifte begrepen voorbelasting uit 2014.
18. Hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Door in de suppletieaangifte in te vullen dat deze ziet op het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 was het verweerder niet aanstonds duidelijk dat daarin ook voorbelasting uit 2014 was begrepen. Reeds daarom kan verweerder niet worden verweten dat hij niet eerder heeft laten weten dat voor de omzetbelasting geen verlengd boekjaar geldt. Bovendien heeft te gelden dat het op de weg van eiseres ligt om zich op de hoogte te stellen van de wijze waarop zij voor de verschillende belastingmiddelen aangifte dient te doen. Dat in de vennootschapsbelasting rekening wordt gehouden met een verlengd boekjaar brengt niet mee dat eiseres ervan mag uitgaan dat dat ook geldt voor de omzetbelasting. Het beroep op het subsidiariteitsbeginsel faalt derhalve.
19. Eiseres heeft gesteld dat verweerder heeft toegezegd om het probleem van de aftrek van voorbelasting voor 2014 praktisch op te lossen. Zij heeft dit evenwel niet aannemelijk gemaakt. In het verslag van het hoorgesprek wordt daarover het volgende vermeld:
“[De advocaat van eiseres] vraagt de Belastingdienst de problematiek rond het verlengde boekjaar bij de naheffingsaanslag praktisch op te lossen. De Belastingdienst gaat zich hierover beraden.”
Hiermee heeft verweerder niet toegezegd ten aanzien van de aftrek voorbelasting 2014 een andere beslissing te nemen en ook overigens is van een toezegging is niet gebleken. Er is dan ook geen sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel.
20. Ook het beroep van eiseres op stuiting van de verjaringstermijn faalt. De bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek over stuiting zijn niet van toepassing op de termijn voor het indienen van een suppletieaangifte.
De correcties aftrek van voorbelasting op kosten voor domeinnamen, verbouwingkosten, computerkosten en huurkosten
21. Voor het jaar 2016 heeft verweerder de aftrek van voorbelasting op een investering in domeinnamen gecorrigeerd. Voor het jaar 2017 heeft verweerder de aftrek van voorbelasting op verbouwingskosten, computerkosten en huurkosten gecorrigeerd.
22. Eiseres heeft voor de investering in domeinnamen, de verbouwingskosten en de computerkosten geen facturen overgelegd. Reeds daarom is de aftrek van voorbelasting op deze kosten terecht gecorrigeerd.
23. Voor de aftrek van voorbelasting op de huurkosten heeft het volgende te gelden.
Op grond van artikel 11, aanhef en eerste lid, letter b, ten vijfde, van de Wet OB in samenhang met artikel 6a, vierde en vijfde lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 kan een ondernemer onder bepaalde voorwaarden opteren voor btw belaste verhuur van onroerende zaken andere dan gebouwen of gedeelten daarvan die als woning worden gebruikt. Daarvoor geldt als voorwaarde dat de onroerende zaak wordt gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van belasting op de voet van artikel 15 van de Wet OB bestaat. In de bezwaarprocedure is gebleken dat eiseres in het pand, op de huurkosten waarvan eiseres aftrek van voorbelasting claimt, een demowinkel wilde beginnen, maar dat dit is mislukt wegens een gebrek aan financiële middelen. Klaarblijkelijk heeft eiseres het pand dus niet gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van belasting bestaat. Partijen bij de huurovereenkomst konden dan niet opteren voor btw belaste verhuur. Alsdan is de verhuur van het pand vrijgesteld van omzetbelasting en heeft eiseres ook geen recht op aftrek van voorbelasting op de huurkosten. De aftrek van voorbelasting op de huurkosten is daarom terecht gecorrigeerd.
Correcties privégebruik auto
24. Eiseres heeft op 30 december 2016 een Mercedes-Benz met kenteken [kenteken] aangeschaft. De catalogusprijs bedraagt volgens de financiële leaseovereenkomst € 27.499,99. Tijdens het boekenonderzoek is geen kilometeradministratie overgelegd. Daarom zijn de correcties privégebruik auto vastgesteld. Tijdens de bezwaarprocedure is alsnog een kilometeradministratie voor 2017, 2018 en 2019 overgelegd. Uit deze kilometeradministraties, die op zich sluitend zijn, blijkt dat de auto ook voor privédoeleinden is gebruikt. De auto is immers ook voor woon-werkverkeer gebruikt. Bij een sluitende kilometeradministratie dient eiseres over het werkelijk privégebruik omzetbelasting te betalen. Het werkelijk privégebruik kan echter niet worden berekend, omdat in de kilometeradministraties de adresgegevens ontbreken en er ook geen administratie van de autokosten is overgelegd.
25. De Staatssecretaris van Financiën heeft voor het geval dat uit de administratie niet blijkt in hoeverre de auto voor privédoeleinden is gebruikt of welke kosten daaraan zijn toe
te rekenen, goedgekeurd dat de bijtelling voor privégebruik forfaitair wordt vastgesteld op 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm).
26. Nu de kosten van het privégebruik van de auto niet uit de administratie van eiseres blijkt, is verweerder terecht uitgegaan van het forfait. Wel heeft verweerder bij de uitspraak op bezwaar de bijtelling verminderd in verband met de lagere cataloguswaarde zoals deze blijkt uit de overgelegde leaseovereenkomst. Eiseres heeft in beroep niets gesteld of overgelegd op grond waarvan de bijtelling privégebruik zou moeten worden verminderd of achterwege zou moeten blijven. De enkele stelling dat de kilometeradministraties sluitend zijn, is daartoe onvoldoende.
Omzetcorrecties 2018 en 2019
27. Uit de administratie en de jaarstukken voor 2015 en 2016 blijkt dat eiseres in die jaren aan O kosten heeft doorbelast met omzetbelasting. In 2018 en 2019 zouden de van O ontvangen bedragen een lening zijn (geworden). Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat dit een lening is. Zij heeft daarvan ook geen stukken overgelegd. Gelet op voorgaande jaren heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de aanname van verweerder dat er in wezen sprake is van doorbelaste kosten. Verweerder heeft de omzet voor 2018 en 2019 daarom terecht gecorrigeerd.
De verzoeken om teruggaaf
28. Verweerder heeft bij het vaststellen van de naheffingsaanslag 2016 - 2019 rekening gehouden met de verzoeken om teruggaaf om zo een dubbeltelling te voorkomen. Verweerder heeft dat kunnen en mogen doen. Eiseres is hierdoor niet benadeeld. Zij hoeft hierdoor ook niet, zoals zij stelt, een andere administratie te voeren. Dit staat immers volledig los van de administratieplicht en de aangifteplicht van eiseres. Ook valt niet in te zien dat het feit dat er wel afzonderlijke beschikkingen zijn genomen en eiseres daardoor meer beroepsprocedures heeft lopen per saldo meebrengt dat zij meer tijd en geld kwijt is. Het gaat immers, zoals zij zelf al stelt, om dezelfde problematiek en ook is er maar één keer griffierecht geheven vanwege de samenhang van de zaken.
De suppletieaangifte voor 2018
29. Eiseres heeft een suppletie ingediend voor het jaar 2018. Eiseres verzoekt in deze suppletie om een aanvullende teruggaaf van € 1.947.
30. Uit de stukken van het geding volgt dat eiseres voor 2018 een teruggaaf heeft gehad van € 687. Bij het boekenonderzoek heeft de controleur voor 2018 voorts rekening gehouden een negatieve aansluitcorrectie van - € 2.020. Per saldo heeft eiseres voor 2018 dan een teruggaaf gehad van € 2.707. Dit is conform de auditfile voor 2018. Nu dit bedrag hoger is dan de teruggaaf waar eiseres om verzoekt in de suppletieaangifte (te weten: € 687 + € 1.947 = € 2.634), is er geen reden om voor 2018 nog een aanvullende teruggaaf te verlenen.
31. Op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) in samenhang met het bepaalde in paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst is aan eiseres een verzuimboete van 10% van de verschuldigde belasting opgelegd, omdat op aangiften te weinig omzetbelasting is betaald.
32. Vaststaat dat eiseres voor 2015 te weinig omzetbelasting op aangifte heeft voldaan. De verzuimboete is dan terecht aan eiseres opgelegd. Dat zou slechts anders zijn als sprake is van een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld (avas). De bewijslast dat dit het geval is, rust op eiseres. Eiseres heeft in dit verband geen feiten of omstandigheden gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat sprake is van een pleitbaar standpunt of van avas. De rechtbank acht een verzuimboete van 10% van de na te heffen omzetbelasting passend en geboden.
33. Wel overweegt de rechtbank ambtshalve dat de boete dient te worden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Uit de stukken van het geding blijkt dat de boete aan eiseres bekend is gemaakt in de brief van 11 november 2020, zodat de redelijke termijn op die dag is aangevangen. De behandelingstermijn is geëindigd met deze uitspraak van de rechtbank. De totale behandelingsduur bedraagt dus vijf jaar en, naar boven afgerond, één maand. De redelijke termijn is dan in beginsel overschreden met drie jaar en één maand. De rechtbank ziet in de vele uitstelverzoeken en de proceshouding van eiseres echter aanleiding om de redelijke termijn van twee jaar te verlengen met zes maanden.
De redelijke termijn is dan overschreden met twee jaar en zeven maanden. De boete dient daarom gematigd te worden met 20%tot een bedrag van € 348 (€ 436 -/- 20%).
34. Verweerder heeft zich in beroep nader op het standpunt gesteld dat deze verzuimboete dient te vervallen. Het beroep is derhalve gegrond voor zover het is gericht tegen de verzuimboete behorende bij de naheffingsaanslag 2016 - 2019.
35. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. De belastingrente is berekend conform de wettelijke bepalingen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die aanleiding kunnen geven om de belastingrente te matigen.
Immateriële schadevergoeding
36. Eiseres heeft in beroep gesteld dat de bezwaren niet deugdelijk en binnen een redelijke termijn zijn behandeld. De rechtbank heeft dit beroep opgevat als een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens de lange duur van de procedures.
37. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De termijn vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.
38. De rechtbank merkt de onderhavige zaken aan als samenhangende zaken waarvoor één maal recht bestaat op schadevergoeding en zal daarom uitgaan van het eerste bezwaarschrift. Vanaf de ontvangst van dat bezwaarschrift op 11 februari 2021 tot de uitspraak van de rechtbank op 9 december 2025 zijn, afgerond naar boven, vier jaar en tien maanden verstreken. In beginsel is er dan een overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar en tien maanden. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, ziet de rechtbank evenwel aanleiding om de termijn van twee jaar die als uitgangspunt dient voor de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase te verlengen met zes maanden als gevolg van de vele uitstelverzoeken en de proceshouding van eiseres. De redelijke termijn is dan overschreden met twee jaar en vier maanden. De rechtbank rekent deze overschrijding voor één jaar toe aan de bezwaarfase en voor één jaar en vier maanden aan de beroepsfase.
39. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep tegen de verzuimboete behorende bij de naheffingsaanslag 2016 - 2019 gegrond te worden verklaard en voor het overige ongegrond te worden verklaard.
40. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 647 (1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 647 en een wegingsfactor 1). Voor een hogere vergoeding bestaat geen aanleiding. Eiseres heeft geen feiten of omstandigheden gesteld als bedoeld in artikel 2, derde lid van het Besluit op grond waarvan van de forfaitaire regeling zou moeten worden afgeweken. Van ernstig onzorgvuldig handelen door verweerder of procederen tegen beter weten in, is geen sprake.
41. Nu het beroep inzake de verzuimboete behorende bij de naheffingsaanslag
2016 - 2019 gegrond is verklaard, ziet de rechtbank voorts aanleiding om het betaalde griffierecht aan eiseres te laten vergoeden.