ECLI:NL:RBDHA:2025:26424

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL22.15494
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herbeoordeling van de geloofwaardigheid van de homoseksuele geaardheid van eiser in asielprocedure

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 31 oktober 2025, wordt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, een Iraakse man, door de minister van Asiel en Migratie beoordeeld. Eiser heeft op 11 augustus 2019 asiel aangevraagd, waarbij hij aanvoert dat hij vanwege zijn homoseksuele geaardheid en afvalligheid van de islam in Irak gevaar loopt. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig is. De rechtbank stelt dat verweerder de geloofwaardigheid van de problemen van eiser met zijn vader, die hem heeft mishandeld vanwege zijn seksuele geaardheid, opnieuw moet beoordelen. De rechtbank wijst erop dat de verklaringen van eiser over zijn ervaringen en de context waarin deze zijn gedaan, onvoldoende zijn meegenomen in de beoordeling door verweerder. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Eiser krijgt tevens een vergoeding van zijn proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.15494

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat de homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig is. Verweerder moet die geloofwaardigheid opnieuw beoordelen. Aan de hand van deze nieuwe beoordeling moet verweerder opnieuw de geloofwaardigheid van de problemen van eiser met zijn vader vanwege zijn homoseksuele geaardheid beoordelen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 11 augustus 2019 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is door verweerder op 16 oktober 2020 afgewezen. Het beroep hiertegen is door deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, op 2 september 2021 gegrond verklaard [2] . Verweerder heeft naar aanleiding van deze uitspraak op 15 juli 2022 de asielaanvraag wederom afgewezen als ongegrond in het bestreden besluit. Hier heeft eiser beroep tegen ingesteld. In de beroepsfase heeft eiser verweerder verzocht om de vergoeding van de kosten van de iMMO [3] -rapportage die hij heeft overgelegd op 16 mei 2024. Verweerder heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 5 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en [naam 1] als tolk deelgenomen. Verweerder was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1994. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is afvallig van de islam en homoseksueel. De vader van eiser is een streng conservatieve boer. Door zijn vader werd eiser gedwongen om de islam te praktiseren en hij mocht van zijn vader niet naar muziek luisteren, zich niet kleden zoals hij wilde en zijn haar niet dragen zoals hij wilde. Eiser kreeg op 10-jarige leeftijd gedachtes over dat hij jongens wel leuk vindt, maar dacht hier destijds nog overheen te groeien. In datzelfde jaar is eiser door zijn neef verkracht. Hiermee heeft eiser zich gerealiseerd dat hij dit lekker vond en dat hij wel homoseksueel was. Sindsdien heeft eiser met veel mannen seks gehad. Op zijn 15e/16e kreeg eiser voor het eerst een liefdesrelatie met [naam 2] . De broer van eiser heeft op 6 december 2016 een foto laten zien aan hun vader waarop te zien is dat eiser een man oraal bevredigd. De vader van eiser heeft eiser in elkaar geslagen, waar eiser littekens aan over heeft gehouden. De vader van eiser heeft tegen eiser gezegd dat hij hem wil vermoorden en dat hij het niet verdient om te leven omdat hij een schande is voor de familie. Eiser is het huis uitgerend en naar het huis gegaan van een vriend. Hier heeft eiser vijf dagen verbleven en voorbereidingen getroffen om Irak te verlaten. Op 11 december 2016 heeft eiser Irak op legale wijze, met paspoort en een visum voor Turkije, verlaten. Eiser heeft twee jaar in Turkije verbleven en is toen via verschillende landen naar Nederland gekomen. Hier heeft eiser op 11 augustus 2019 asiel aangevraagd. Eiser vreest dat als hij moet terugkeren naar Irak, hij wordt vermoord door zijn vader vanwege zijn homoseksuele gerichtheid.
3.1.
Eiser heeft op 16 mei 2024 een iMMO-rapport overgelegd. Eiser heeft verweerder verzocht om de kosten van het laten opstellen van dit iMMO-rapport te vergoeden, te weten € 6000,-.
Het bestreden besluit
4. Verweerder stelt de volgende relevante elementen vast:
Nationaliteit, identiteit en herkomst;
Niet-praktiserende moslim;
Homoseksuele geaardheid;
Problemen met vader vanwege homoseksuele geaardheid.
Verweerder vindt de eerste twee relevante elementen geloofwaardig, maar de laatste twee relevante elementen niet. Het eerste en tweede relevante element vindt verweerder onvoldoende zwaarwegend. Het derde en vierde relevante element vindt verweerder ongeloofwaardig omdat hij de verklaringen van eiser hierover vaag en onvoldoende diepgaand vindt.
Moet verweerder een aanvullend voornemen uitbrengen ten aanzien van de afvalligheid?
5. Eiser doet een beroep op uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 januari 2022 [4] waaruit volgt dat de beoordeling van afvalligheid door verweerder in het algemeen een herziening behoeft. De uitspraken dateren van na het voornemen, dus verweerder dient gelet hierop een nieuw voornemen uit te brengen. Eiser heeft op pagina 17 van het nader gehoor verklaard dat hij door zijn vader werd mishandeld indien hij weigerde om zijn religie te praktiseren. Anders dan verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen, blijkt wel dat eiser problemen in Irak heeft gehad vanwege zijn afvalligheid. Verweerder miskent in zijn stelling dat eiser als volwassen man in Irak zijn eigen keuzes kan maken, dat eiser ook als volwassen man door zijn vader geacht wordt de Islam te volgen en dat als eiser dit niet doet, hij door zijn vader gemarteld, vervolgd en vermoord zal worden.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft verklaard dat zijn vader streng was op het praktiseren van het geloof [5] . De rechtbank is van oordeel dat verweerder in zijn bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat eiser vanwege zijn niet-praktiseren van het geloof, geen risico op een schending van artikel 3 van het EVRM [6] loopt dan wel aangemerkt dient te worden als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Van belang hierbij is dat eiser, behalve de strengheid van zijn vader, nooit problemen heeft ondervonden vanwege zijn afvalligheid. Bovendien dateert het bestreden besluit van na de uitspraken waar eiser een beroep op doet en is verweerder in het bestreden besluit ook meegegaan met de nieuwe werkinstructie door eiser aan te duiden als afvallige, in plaats van niet-praktiserend moslim. Op deze wijze heeft verweerder ook besloten over het asielmotief. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de homoseksualiteit van eiser ongeloofwaardig kunnen vinden?
7. Eiser voert aan dat de motivering van verweerder over dit asielmotief in strijd is met de uitspraak van 2 september 2021. Verweerder verwijst bij het ongeloofwaardig vinden van de homoseksualiteit van eiser naar het voornemen van 23 december 2021, wat onvoldoende is. Verweerder past zijn eigen werkwijze niet goed toe door de verklaringen van eiser onvoldoende in onderlinge samenhang te beoordelen. Verweerder mag niet verwachten dat eiser diepgaand kan verklaren over gevoelens die hij had op zijn 10e, enkel omdat eiser nu een volwassen man is. Eiser heeft bovendien wel verklaard over hoe hij zich voelde en wat hij ervaarde. Dit heeft verweerder onvoldoende betrokken in zijn beoordeling, waardoor verweerder wederom onvoldoende rekening houdt met het referentiekader van eiser. Verweerder heeft te veel nadruk gelegd op het gevoel dat eiser zou moeten hebben bij zijn seksuele partners. Verweerder heeft daarnaast onvoldoende gemotiveerd waarom hij de relatie van eiser en [naam 2] niet gelooft en welke verklaringen van eiser verweerder daarbij heeft betrokken. Ook heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met dat de verkrachting door de neef van eiser een traumatiserende gebeurtenis is, waardoor de verklaringen van eiser beïnvloed zijn. Ook heeft verweerder niet, zoals wel uit de overwegingen van de uitspraak van 2 september 2021 volgt, geen acht genomen van de positie van homoseksuelen in Irak. Verweerder heeft bovendien geen vragen gesteld aan eiser over zijn betrokkenheid bij de LHBTI+ gemeenschap in Nederland, zoals het contact van eiser met COC. Eiser heeft zijn betrokkenheid in de huidige beroepsfase verder onderbouwd met stukken van Rainbow Anonymous, COC Amsterdam, foto’s van eiser op verschillende LHBtI+ activiteiten en Whatsapp-gesprekken.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de homoseksualiteit van eiser niet geloofwaardig is. Hierbij overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zijn standpunt dat eiser ongeloofwaardig heeft verklaard over zijn beleving van zijn homoseksuele geaardheid wederom onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 2 september 2021 al geoordeeld dat verweerder bij het ongeloofwaardig achten van de homoseksuele geaardheid van eiser verwijst naar algemene vragen die zijn gesteld in het gehoor en niet naar vragen over de persoonlijke visie, ervaring en gevoelens van eiser over homoseksualiteit. Uit het voornemen en het bestreden besluit blijkt dat verweerder dit wederom niet heeft gedaan. Verweerder verwijst voornamelijk naar verklaringen over hoe eiser heeft ontdekt dat hij seks met mannen lekker vond, maar houdt hierbij rekening dat eiser dit heeft ontdekt nadat hij verkracht is door zijn neef hetgeen voor eiser een traumatische gebeurtenis was.
8.1.
De rechtbank kan eiser daarom ook volgen in zijn standpunt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader, waarin zijn leeftijd, de verkrachting, het taboe dat heerst in Irak op gevoelens en met name seksuele gevoelens, een belangrijke rol spelen. Eiser was ten tijde van de verkrachting en daarmee de ontdekking dat hij homoseksueel is, 10 jaar oud. De verklaringen van eiser over de ontdekking dat hij homoseksueel is, moeten dus worden beoordeeld met inachtneming van het referentiekader dat eiser had op zijn 10e. Verweerder heeft alleen al vanwege de jonge leeftijd van eiser ten tijde van de ontdekking dat hij homoseksueel is, niet meer diepgang mogen verwachten van de verklaringen van eiser. Dit geldt ook voor de verklaringen over zijn gevoelens dat hij homoseksueel is. De rechtbank benadrukt dat de eerste (homo)seksuele ervaring die eiser heeft gehad, een verkrachting door zijn neef is. Hierover heeft eiser verklaard dat hij het weliswaar best lekker vond maar ook dat hij angstig was en dat het pijn deed [7] . Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij, ondanks dat de gevoelens van eiser over zijn homoseksuele geaardheid gevormd zijn door een traumatische ervaren verkrachting, van eiser verwachtte dat hij hierover met meer diepgang kon verklaren.
8.2.
De rechtbank kan eiser ook volgen over wat hij aanvoert over het verschil in zijn verklaringen over seksuele- en liefdesrelaties die hij heeft gehad met mannen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser diepgaander had moeten verklaren over zijn gevoelens waar het gaat om seksuele partners. Eiser heeft in het nader gehoor aangegeven dat het voor hem enkel seks was [8] . Verweerder heeft niet kunnen verwachten dat eiser in retrospectief verklaart over gevoelens die hij nooit heeft gehad. Bovendien heeft eiser wel met meer diepgang verklaard over zijn emoties en relatie met [naam 2] . Zo heeft eiser verklaard dat hij twee jaar een liefdesrelatie met [naam 2] heeft gehad en enkel gevoelens voor hem had [9] . Dit verschil in relaties en daarmee ook in verklaringen, heeft verweerder onvoldoende betrokken in zijn geloofwaardigheidsbeoordeling van de geaardheid van eiser. Hiermee heeft verweerder ook onvoldoende acht geslagen op de uitspraak van de rechtbank van 2 september 2021 [10] .
8.3.
Daarnaast heeft de rechtbank in de uitspraak van 2 september 2022 overwogen dat verweerder met de enkele stelling dat eiser niet weet in welke wet staat opgenomen dat homoseksualiteit strafbaar is, zijn standpunt dat eiser vaag en summier heeft verklaard over de positie van homoseksuelen in Irak niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Dit heeft verweerder in het bestreden besluit weer niet deugdelijk gemotiveerd omdat verweerder hetzelfde tegenwerpt.
8.4.
De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat verweerder wederom onvoldoende heeft gemotiveerd dat de homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig is. Verweerder dient dit opnieuw te beoordelen. In het licht van deze nieuwe beoordeling, dient verweerder opnieuw te beoordelen welk gewicht toekomt aan de stukken die eiser in de huidige beroepsfase heeft overgelegd van het COC, Rainbow Anonymous en de foto’s waaruit moet blijken dat eiser betrokken is bij de LHBTI+ gemeenschap in Nederland. De rechtbank weegt hierin mee dat eiser al in 2022 27 pagina’s van beroep en bijlagen heeft ingediend en dat verweerder daar in zijn verweerschrift van 1 september 2025 niet op in is gegaan. Bovendien was verweerder niet aanwezig op zitting om hierop te reageren. Deze beroepsgrond slaagt.
Heeft verweerder de problemen van eiser met zijn vader ongeloofwaardig kunnen achten?
9. Eiser voert het volgende aan. Verweerder had nader moeten motiveren waarom hij de problemen niet geloofwaardig acht, in plaats van te verwijzen naar het voornemen van 23 december 2021. Dit is volgens de uitspraak van 2 september 2022 onvoldoende. Verweerder licht zijn tegenwerpingen over de verklaringen van eiser over zijn problemen met zijn vader niet toe. Het is daarnaast onduidelijk waar verweerder zijn subjectieve aanname, dat een telefoon tijdens een mishandeling altijd uit een broekzak valt of niet meer bruikbaar is, op baseert. Verweerder betwist niet dat op hem een samenwerkingsverplichting berust. Indien verweerder de verklaringen van eiser over de problemen onvoldoende vond, was het aan verweerder om hierover door te vragen.
10. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat eiser weinig kan verklaren over hoe de foto waarop te zien is dat hij een man oraal bevredigt tot stand is gekomen [11] . Door de rechtbank is op 2 september 2021 al geoordeeld dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom van eiser in de situatie nadat de foto werd vertoond aan zijn vader, verwacht kon worden dat hij bij zijn broer gaat informeren hoe hij aan de foto is gekomen, terwijl eiser zich in een acute vluchtsituatie bevond. Bovendien heeft verweerder geen vragen gesteld aan eiser in het nader gehoor over waarom eiser zich zou hebben laten fotograferen terwijl hij een man oraal bevredigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken. Bovendien blijft de motivering van verweerder ten aanzien van zijn standpunt dat niet valt in te zien dat de telefoon van eiser gedurende de mishandeling door zijn vader in zijn broekzak is blijven zitten en daarna nog zou werken, onvoldoende om de problemen van eiser ongeloofwaardig te vinden. Dat het raar is dat eiser nog over zijn telefoon beschikt en dat deze nog werkt nadat hij is mishandeld is immers gebaseerd op suggestie. Verweerder heeft ook in deze beroepsfase niet toegelicht waar hij deze stelling op baseert. De rechtbank kan verweerder daarom niet volgen.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op wat hiervoor is overwogen, de geloofwaardigheid van de problemen die eiser van zijn vader stelt te hebben ondervonden opnieuw dient te beoordelen.
11. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die zien op artikel 14, eerste lid, en onder e, van de Vw en op artikel 64 van de Vw heeft laten vallen. De rechtbank zal deze gronden daarom niet bepreken.
Dient verweerder de kosten van de iMMO-rapportage te vergoeden?
12. Eiser verzoekt om vergoeding van de kosten van het iMMO-rapport. iMMO heeft aanleiding gezien om medisch onderzoek te verrichten naar eiser. Het iMMO-rapport is onmisbaar en zeer bepalend voor de onderhavige procedure. Daarom verzoekt eiser de rechtbank verweerder te veroordelen tot de betaling van het iMMO-rapport van € 6000,00.
13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze kosten niet heeft hoeven vergoeden en overweegt hierbij als volgt. Eiser heeft, zoals verweerder stelt in zijn verweerschrift, niet onderbouwd waarom verweerder de kosten van het iMMO-rapport moet vergoeden terwijl eiser het onderzoek zelfstandig heeft laten verrichten. Bovendien volgt uit het informatiebericht 2025/4, over de vergoeding van de kosten van een iMMO-rapport, dat verweerder de kosten voor een iMMO-rapport niet hoeft te vergoeden, omdat het rapport niet tot een ander besluit leidt. Deze grond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiser gelijk heeft. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
14.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
14.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 15 juli 2022;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.De rechtbank, 2 september 2021, NL20.19618, niet gepubliceerd.
3.Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek.
4.De Afdeling, ECLI:NL:RVS:2022:93-94, 19 januari 2022.
5.Verslag nader gehoor, pagina’s 10, 17.
6.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
7.Verslag nader gehoor 8 oktober 2020, pagina 8.
8.Verslag nader gehoor 8 oktober 2020, pagina 15.
9.Verslag nader gehoor 8 oktober 2020, pagina 12.
10.De rechtbank, 2 september 2021, NL20.19618, niet gepubliceerd, overweging 13.
11.Voornemen 23 december 2021, pagina 9.