ECLI:NL:RBDHA:2025:2653

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 februari 2025
Publicatiedatum
21 februari 2025
Zaaknummer
NL25.1566
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag wegens prematuur ingediend beroep

Eiser heeft op 20 februari 2024 een asielaanvraag ingediend. Volgens artikel 42 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 moet de minister binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. De minister heeft echter de beslistermijn met negen maanden verlengd op grond van het WBV 2023/26, vanwege een grote instroom van vreemdelingen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat deze verlenging rechtsgeldig is, mede gebaseerd op een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2025:940). Hierdoor was de ingebrekestelling van 24 december 2024 prematuur ingediend. Omdat het beroep tegen het niet tijdig beslissen pas kan worden ingediend nadat een schriftelijke ingebrekestelling is ontvangen en twee weken zijn verstreken, voldoet het beroep niet aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

De rechtbank heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen is meegedeeld dat een zitting niet nodig is geweest en het onderzoek is gesloten zonder zitting.

De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars en openbaar gemaakt op 21 februari 2025. Eiser wordt gewezen op de mogelijkheid om binnen vier weken in hoger beroep te gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediend beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1566

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. S. Kalu-Mollema),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 20 februari 2024.
2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt. Partijen hebben hier mee ingestemd, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en het beroep dus niet heeft behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
4. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend, zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken, nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
5. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet de minister binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.
6. Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw kan de termijn, als bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden.
7. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 20 februari 2024. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou in het geval van eiser op 20 augustus 2024 eindigen. De minister heeft echter, met inwerkingtreding van het WBV 2023/26, de beslistermijn van asielaanvragen, ingediend tussen 1 januari 2024 en 1 januari 2025, met negen maanden verlengd. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 28 januari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:940) geoordeeld dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van het WBV 2023/26 sprake was van een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van dat oordeel af te wijken. De verlenging van de beslistermijn is daarom rechtsgeldig. Dat betekent dat de ingebrekestelling van
24 december 2024 prematuur is ingediend. Het beroep voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is niet-ontvankelijk.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.