In deze zaak, behandeld op 10 december 2025, vordert de vader de nakoming van de omgangsregeling met zijn minderjarige dochter, terwijl de moeder verzoekt om schorsing van deze regeling. De ouders hebben een complexe relatie en zijn betrokken bij een kort geding dat zich richt op de omgangsregeling van hun dochter, geboren in 2017. De vader heeft de omgangsregeling erkend, maar de moeder heeft deze recentelijk stopgezet, wat leidt tot een conflict over de veiligheid en het welzijn van de minderjarige. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de omgangsregeling, zoals eerder bepaald in een beschikking van 1 februari 2024, moet worden nagekomen, tenzij er nieuwe feiten zijn die dit in het belang van de minderjarige in twijfel trekken. De voorzieningenrechter concludeert dat er onvoldoende bewijs is dat de omgangsregeling onveilig is en wijst de vordering van de vader toe, onder afwijzing van de vordering van de moeder. Tevens wordt een dwangsom opgelegd aan de moeder voor het geval zij de regeling niet naleeft. De beslissing is genomen met het oog op het belang van de minderjarige, waarbij de rechter de verbeterde situatie van het kind in overweging heeft genomen.