De ouders zijn de vader en moeder van een minderjarige geboren in 2017. De moeder heeft het gezag en de minderjarige woont bij haar. Na een periode van ondertoezichtstelling vanwege omgangs- en gedragsproblematiek is deze in augustus 2025 beëindigd. De omgangsregeling tussen vader en kind, vastgesteld in februari 2024, bepaalt onder meer het weekendcontact en de overdracht op het station.
Na ontvangst van een borgingsplan waarin de omgang als redelijk werd beoordeeld, heeft de moeder in november 2025 de omgang eenzijdig stopgezet en meldingen gedaan bij Veilig Thuis, stellende dat de veiligheid van het kind bij de vader in het geding is. Er is sprake van een incident tussen ouders en een geschil over de oorzaak van letsel bij het kind. De vader betwist de beschuldigingen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat onvoldoende is gebleken dat de omgangsregeling onveilig is. Het belang van het kind bij contact met de vader weegt zwaar, mede gelet op verbeterd gedrag van het kind. De vordering van de vader tot nakoming wordt toegewezen, het verzoek van de moeder tot schorsing afgewezen. De moeder wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom bij niet-nakoming. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening gelaten.