Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de staatssecretaris van Defensie, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Wat vindt eiser in beroep?
Ten aanzien van de internationale oefening Joint Caribbean Lion heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat sprake was van een reguliere oefening. Zoals onder 5.1 uiteengezet is het oefenen van de uitvoering van de oorlogstaak een normaal onderdeel van het uitoefenen van de militaire dienst door een beroepsmilitair. Dat het varen in een onderzeeër op zichzelf genomen een buitengewone omstandigheid is, zoals de gemachtigde van eiser heeft gesteld, volgt de rechtbank niet. De Raad heeft overwogen dat er sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden die een verhoogd risico op verwonding of letsel met zich mee brengen en dat dit verhoogde risico in het algemeen aanwezig zal zijn wanneer niet alle normaal gebruikelijke veiligheidsmaatregelen (kunnen) worden gehandhaafd. Niet is gebleken dat er bij Joint Caribbean Lion sprake is geweest van de oefening van een oorlogstaak onder buitengewone omstandigheden waarbij een verhoogd risico aanwezig was.
Over de NATO Response Force, waar de boot waarop eiser voer deel van heeft uitgemaakt, heeft verweerder te kennen gegeven dat dit ging om een paraatstelling waarbij ook geen sprake is geweest van buitengewone omstandigheden. Verder heeft verweerder navraag gedaan bij de HDP en het CZSK, waarop is teruggekoppeld dat eiser geen deel heeft genomen aan geheime missies of uitzendingen. Verweerder heeft verder uitgelegd dat voor zover in eisers “staat van dienst” wordt gesproken van “operaties” wordt gedoeld op “reguliere operationele werkzaamheden”. De informatie die eiser hiertegenover heeft gesteld, hoefde verweerder geen aanleiding te geven tot een andere conclusie. Evenmin hoefde verweerder hierin aanleiding te zien voor nader onderzoek.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.