Appellant, voormalig militair, verzocht om toekenning van een militair invaliditeitspensioen op grond van het Besluit AO/IV vanwege longaandoeningen. De staatssecretaris wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat er geen sprake was van buitengewone omstandigheden of verhoogd risico tijdens de uitzending of oefeningen.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek vertoont omdat de staatssecretaris onvoldoende is ingegaan op de door appellant genoemde blootstelling aan gevaarlijke stoffen tijdens het aftanken van voertuigen met draaiende motoren onder oorlogsnabootsende omstandigheden.
De Raad stelt vast dat de koolstofmonoxidevergiftiging tijdens een oorlogsnabootsende oefening is opgelopen, maar dat het slapen in een tent geen verhoogd risico opleverde. Tevens is onvoldoende bewijs voor een causaal verband tussen de longklachten en de uitzending naar Afghanistan. De Raad vernietigt het besluit en beveelt een nieuwe, gemotiveerde beslissing, waarbij ook de medische informatie en verklaringen betrokken moeten worden.
Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld tot een schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van proceskosten van € 2.136 en griffierecht van € 174 aan appellant.