Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:26819

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
SGR 25/1119
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 3:4 AwbArtikel 91a AMARArtikel 90, lid 2 AMARArtikel 3 Regeling ziektekostenverzekering militairen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vergoeding gehoorapparaat aan gepensioneerde militair wegens onvoldoende motivering afwijzing

Eiser, een voormalig militair met gehoorschade opgelopen tijdens zijn dienst, vroeg vergoeding voor nieuwe inwendige gehoorapparaten. Verweerder, de staatssecretaris van Defensie, wees de aanvraag af op basis van een gedragslijn dat dergelijke toestellen slechts eenmaal worden vergoed en niet onder de verzekeringscategorie vallen.

De rechtbank oordeelt dat verweerder het beleid niet deugdelijk heeft gemotiveerd en onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheden van eiser, waaronder zijn langdurige dienst en verergerde gehoorschade. Ook is het beleid niet kenbaar gemaakt en is de afwijzing onevenredig.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het primaire besluit, wijst de vergoeding van €5.174 toe en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Tevens moet verweerder het griffierecht vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot afwijzing en wijst de vergoeding van €5.174 voor gehoorapparaten toe aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1119

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Simon).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om vergoeding van de kosten voor nieuwe gehoorapparaten.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 28 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is tussen 1971 en 2008 in dienst geweest bij de Koninklijke Landmacht. Hij is meerdere keren naar conflictgebieden uitgezonden. Tegen het eind van zijn militaire loopbaan ondervond eiser toenemende gehoorklachten. Er is in 2006 een dienstverband vastgesteld voor opgelopen gehoorschade.
3. Als gevolg van de gehoorschade heeft eiser voor beide oren een gehoorapparaat nodig. Dergelijke apparaten zijn na vijf jaar aan vervanging toe.
3.1
In 2013 heeft verweerder aan eiser een vergoeding verstrekt voor de aanschafkosten voor twee inwendige gehoorapparaten. Dit gebeurde zonder tussenkomst van een zorgverzekeraar.
3.2
Voor de aanschaf van twee vervangende inwendige gehoorapparaten, van het type Phonak Virto B90, zijn in 2019 de kosten opnieuw door verweerder vergoed.
4. Eiser heeft op 10 oktober 2024 bij Schoonenberg Hoorsupport een offerte opgevraagd voor twee nieuwe inwendige gehoorapparaten, type Phonak Virto I90.
5. Vervolgens heeft eiser op 25 oktober 2024 bij verweerder een aanvraag ingediend om vergoeding van de kosten voor de nieuwe gehoorapparaten. De aanvraag is afgewezen, omdat inwendige hoortoestellen niet vallen onder een categorie die door zijn verzekeraar word gedekt. Verweerder heeft daartoe verwezen naar een gedragslijn, waaruit zou volgen dat de kosten voor dergelijke toestellen na 2016 nog slechts één keer worden vergoed.
Wat voert eiser aan in beroep?
6. Eiser betoogt dat het bestreden besluit strijdig is met het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), de Regeling ziektekostenverzekering militairen (de Regeling) en de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers (de Voorzieningenregeling). Daarnaast is het besluit niet goed gemotiveerd en handelt verweerder op basis van willekeur. Er is namelijk geen grond om het recht op een invaliditeitsvoorziening in te perken zoals verweerder heeft gedaan. Dat de verzekeraar de hoortoestellen niet dekt, is daarvoor geen geldige reden. Verweerder wijkt daarbij af van de manier waarop hij in 2013 en 2019 over hoortoestellen van hetzelfde type heeft beslist.
Het beleid waar verweerder zich op baseert is niet kenbaar gemaakt; uit niets blijkt dat dergelijk beleid van kracht is. Ook beroept verweerder zich op bepalingen die niet van toepassing zijn; artikel 18 lid 1 van Pro de Verzekeringsvoorwaarden ziektekostenverzekering Krijgsmacht 2024 en artikel 3 van Pro de Regeling gelden namelijk alleen voor leden in actieve militaire dienst.
7. Daarnaast stelt eiser dat de afwijzing onevenredig is. Verweerder dwingt eiser tot het doorlopen van een onnodig bureaucratisch proces. Feitelijk wentelt verweerder de vergoeding af op een private verzekeraar. Dat is ontoelaatbaar. Eiser heeft gehoorschade geleden waarvoor de Staat aansprakelijk is. Het is duidelijk wat eiser nodig heeft. Zijn gehoorschade wordt niet beter, maar erger. Eerder zijn deze toestellen bovendien wel vergoed.
8. Bovendien voert eiser aan dat hij onzorgvuldig door verweerder is bejegend. Tijdens de hoorzitting is niets gedaan met zijn voorstel om gezamenlijk tot maatwerk te komen. Aan het recht te worden gehoord is daarmee afbreuk gedaan.
Wat is het juridisch toetsingskader?
9. De voormalige militair die lijdt aan een ziekte of gebrek waarvan een verband met de militaire dienst is aanvaard, heeft aanspraak op geneeskundige verzorging, naar de regels en voorwaarden die bij ministeriële regeling zijn gesteld. [1] De omvang van de geneeskundige zorg is vastgesteld in de Regeling. [2] Volgens artikel 3 van Pro de Regeling worden de omvang van de geneeskundige zorg van de militair en de procedures met betrekking tot realisering van de aanspraak daarop, bepaald in de Verzekeringsvoorwaarden Ziektekostenverzekering Krijgsmacht 2024. [3] Bij de uitvoering van de Regeling hanteert verweerder volgens een vaste gedragslijn de voorwaarden in het SZVK Reglement Hulpmiddelen (“Reglement Hulpmiddelen), opgesteld door de Stichting Ziektekosten Verzekering Krijgsmacht. Het Reglement Hulpmiddelen stelt een maximumbedrag vast voor vergoedingen ten behoeve van “uitwendige hulpmiddelen gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie”. [4]
9.1
Daarnaast kunnen invalide militairen aanvullend aanspraak maken op voorzieningen, die zijn neergelegd in de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers (“de Voorzieningenregeling”). Het gaat onder meer om vergoedingen voor de kosten van geneeskundige verzorging [5] , waaronder een financiële tegemoetkoming in de kosten voor hoortoestellen. [6] Een dergelijke tegemoetkoming bestaat ten hoogste uit de aanschaffingskosten, verminderd met de vergoeding van de ziektekostenverzekering dan wel het ziekenfonds, alsook de eventuele aanvullende vergoeding, bedoeld in artikel 4.7.4 van de bijlage bij de Regeling. [7]
Is het bestreden besluit op goede gronden genomen?
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet goed gemotiveerd waarom de aanschafkosten voor de hoortoestellen niet worden vergoed. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.
10.1
Verweerder geeft in het bestreden besluit een uitvoerige uiteenzetting van de regels en voorwaarden rondom de vergoeding van een hoortoestel. Die regels bieden geen specifieke grondslag voor afwijzing van de aanvraag en strekken meer tot toelichting van het juridisch kader, dan tot motivering van de beslissing. Feitelijk is de afwijzing uitsluitend gebaseerd op een verwijzing naar het beleid dat volgens verweerder vanaf 2016 wordt gehanteerd.
10.2
Als beleid is neergelegd in een beleidsregel, mag ermee worden volstaan daarnaar in de motivering van een besluit te verwijzen, als dat beleid in het algemeen aanvaardbaar kan worden geacht. [8] Als een besluit wordt gebaseerd op beleid dat niet in een beleidsregel is vervat, zoals een vaste gedragslijn, moet in het individuele geval worden gemotiveerd waarom de gedragslijn is toegepast, zodat de aanvaardbaarheid van dat beleid in het concrete geval wordt aangetoond. [9]
10.3
De rechtbank stelt vast dat het aangehaalde beleid uit 2016 niet is vastgelegd in een beleidsregel. Verweerder moet dan ook onderbouwen waarom dit beleid aan eiser mag worden tegengeworpen, rekening houdend met de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd. Dat is niet gebeurd. De motivering schiet dus tekort en is strijdig met artikel 7:12, eerste lid van de Awb. Het beroep is dan ook gegrond.
Kan de rechtbank het geschil zelf afdoen?
11. Op basis van de door partijen verstrekte inlichtingen en de over en weer gewisselde standpunten, oordeelt de rechtbank dat de afwijzing van de aanvraag geen stand kan houden. De volgende overwegingen brengen de rechtbank tot dit oordeel.
11.1
De Voorzieningenregeling is bedoeld om invalide militairen een vangnet te bieden. Als verweerder een restrictief beleid wil voeren bij de toetsing van aanvragen voor een voorziening onder deze regeling, moet hij dat als goed werkgever voldoende uitleggen en aan de betrokken militair behoorlijk kenbaar maken.
11.2
Verweerder heeft eiser niet op een duidelijke en consistente manier ingelicht over zijn beleid. Zo heeft verweerder een aanvraag voor toestellen van eenzelfde type in 2019 toegewezen, waartoe hij bij besluit op bezwaar van 25 september 2019 het volgende heeft overwogen:
(…) “
Indien deze hoortoestellen over 5 jaar aan vervanging toe zijn, dan kunt u een nieuwe aanvraag indienen. Wanneer u dan besluit om andere hoortoestellen aan te schaffen dan door uw zorgverzekeraar worden geïndiceerd, dan dient u er rekening mee te houden dat die mogelijk niet worden vergoed. Dit zal dan worden beoordeeld op basis van de op dat moment geldende regelgeving en het dan geldend beleid. (…)”
Met deze overweging is verweerder teruggekomen op zijn eerdere overweging uit een primair besluit van 3 september 2019, die luidde:
“(…)
Indien deze hoortoestellen over 5 jaar aan vervanging toe zijn dient u zich te houden aan de spelregels van uw zorgverzekeraar. Indien deze niet tot vergoeding overgaat omdat u besluit om hoortoestellen uit een andere dan de geïndiceerde categorie aan te schaffen, dan komt deze aanschaf ook niet via ABP voor vergoeding in aanmerking. (…)”.
Het besluit van 25 september 2019 bevat dus een uitdrukkelijke nuancering op de beslissende rol van verzekeraar. Voor eiser was daardoor niet duidelijk dat hij ervan uit moest gaan, dat een aanvraag stellig zou worden afgewezen als de verzekeraar het type hoortoestel niet zou dekken.
11.3
Daar komt bij, dat verweerder ter zitting heeft bevestigd dat inwendige hoortoestellen binnen de categorieën kunnen vallen die de verzekeraar dekt. Hiermee is verweerder kennelijk teruggekomen op de stellige mededeling in het verweerschrift, dat inwendige hoortoestellen niet worden vergoed omdat het inwendig gebruik cosmetisch van aard is.
11.4
In de beoordeling moet verder rekening worden gehouden met het feit, dat eiser de gehoorschade als gevolg van zijn militaire dienst heeft opgelopen. Ook weegt de rechtbank mee, dat de gehoorschade die in 2006 is vastgesteld, na zijn uitzending naar Afghanistan is verergerd als gevolg van het oorlogsgeweld waaraan hij in 2007 en 2008 is blootgesteld; verweerder heeft dit niet betwist. De rechtbank laat ook meewegen dat eiser 37 jaar heeft gediend en naar verschillende oorlogsgebieden is uitgezonden. Sinds 2013 is eiser gewend geraakt aan een hoortoestel van een bepaald type. Dat type past hem goed en het is niet duidelijk of een ander toestel net zo geschikt is. Bovendien kan het lang duren om aan een ander type te wennen, terwijl eiser een veteraan is die sinds geruime tijd is gepensioneerd. Aan deze omstandigheden geeft de rechtbank veel gewicht.
11.5
Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel, dat verweerder niet aan eiser mocht tegenwerpen dat de hoortoestellen niet binnen de aangewezen categorieën van de verzekeraar vallen. Voor zover een dergelijke eis zou volgen uit het aangehaalde beleid, pakt dat kennelijk onredelijk voor eiser uit en is de toepassing daarvan onevenredig en strijdig met artikel 3:4, tweede lid van de Awb.
11.6
Verder is het de rechtbank niet gebleken, dat er enig beletsel bestaat om de aangevraagde vergoeding toe te kennen. De aanschaffingskosten van € 5.174,- staan voldoende vast. Eveneens staat vast dat de verzekeraar de toestellen niet vergoedt, terwijl een vergoeding volgens artikel 4.7.4. van de bijlage van de Regeling niet aan de orde is. Daarom komen de aanschaffingskosten volledig voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 10a, onderdeel b, onder 1, in samenhang met artikel 20, eerste lid van de Voorzieningenregeling.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Daarnaast zal de rechtbank het primaire besluit herroepen, de aanvraag tot vergoeding van de aanschaffingskosten ten bedrage van € 5.174,- toewijzen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.
13. Tot slot moet verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser vergoeden. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding, omdat niet is gebleken dat die zijn gemaakt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- verklaart het bezwaar gegrond;
- verklaart dat de aanvraag tot vergoeding ten bedrage van € 5.174,- aan eiser wordt toegewezen;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 91a AMAR.
2.Artikel 90, lid 2 AMAR in samenhang met artikel 1, aanhef en onder a van de Regeling. NB: artikel 91a AMAR verwijst abusievelijk naar artikel 90 lid Pro 3. Dit is een kennelijke verschrijving; bedoeld is te verwijzen naar artikel 90, lid 2 AMAR. Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1561.
3.Dit volgt uit artikel 3 van Pro de Regeling, zoals die gold ten tijde van het bestreden besluit (Staatscourant 2024, 1381).
4.Reglement Hulpmiddelen 2024 (de versie die gold ten tijde van het bestreden besluit) onder artikel 5.3.
5.Artikel 2, aanhef en onder c van de Voorzieningenregeling.
6.Artikel 10a, aanhef, sub b, onder 1 van de Voorzieningenregeling.
7.Artikel 20b, lid 1 van de Voorzieningenregeling.
8.Artikel 4:82 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1825.