ECLI:NL:RBDHA:2025:26867

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
25/7483
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:98 APV Den HaagArt. 8:81 AwbArt. 2:98, lid 15, onder b, APVAlgemene Plaatselijke Verordening Den Haag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting supermarkt op grond van APV

Verzoekster heeft de exploitatie van een supermarkt overgenomen die op grond van een besluit van de burgemeester gesloten was vanwege het ontbreken van een geldige bedrijfsactiviteitenvergunning. Verzoekster diende een aanvraag in voor een nieuwe vergunning, maar werd door verweerder per e-mail geïnformeerd dat zij niet geopend mocht zijn tijdens de behandeling van deze aanvraag. Verzoekster verzocht om een voorlopige voorziening om toch te mogen exploiteren.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster onvoldoende spoedeisend belang heeft bij het verzoek. Verzoekster heeft de supermarkt overgenomen terwijl zij wist dat deze gesloten was en heeft de vergunningaanvraag pas na enige tijd ingediend. Er is geen acute financiële noodsituatie of bedreiging van de continuïteit aannemelijk gemaakt. Ook is de reputatieschade onvoldoende concreet onderbouwd.

Daarnaast is het besluit van verweerder niet evident onrechtmatig. De vergunningaanvraag van de voorganger was terecht buiten behandeling gesteld en de huidige aanvraag betreft feitelijk een voortzetting van dezelfde activiteiten. Verweerder was bevoegd om de exploitatie tijdens de aanvraagprocedure te verbieden.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening om de supermarkt te mogen exploiteren tijdens de vergunningprocedure wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7483

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 november 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., uit [vestigingsplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. J.P. Hellinga),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: [naam 1]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de e-mail waarin verweerder heeft aangegeven dat verzoekster op grond van de APV [1] niet geopend mag zijn. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang bij verzoekster
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Inleiding

2. Met het besluit van 15 september 2025 heeft verweerder aan verzoekster laten weten dat zij niet geopend mag zijn op grond van de APV.
2.1.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens verzoekster haar gemachtigde, [naam 2] (exploitant) en [naam 3] en namens verweerder zijn gemachtigde vergezeld door [naam 4].

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat de zaak over?
3. Op 15 juli 2022 is de supermarkt [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: de voorganger) aan de [adres] te Den Haag geopend. Met het Aanwijzingsbesluit [2] is voor het uitvoeren van bedrijfsmatige activiteiten in de gebieden [straatnaam 1], [straatnaam 2], [straatnaam 3] en [straatnaam 4], inclusief nader genoemde panden, een vergunningplicht als bedoeld in artikel 2:98 van Pro de Apv in het leven geroepen. Op 20 december 2024 heeft de voorganger zo’n bedrijfsactiviteitenvergunning aangevraagd. Met het besluit van 27 maart 2025 heeft de burgemeester van Den Haag deze aanvraag buiten behandeling gesteld omdat uit de door de voorganger aangeleverde stukken niet kon worden vastgesteld hoe de supermarkt en de exploitant zijn gefinancierd. Met het besluit van 6 mei 2025 heeft de burgemeester van Den Haag de supermarkt, met ingang van een nadere bij kennisgeving te bepalen datum, gesloten. Met het besluit van 27 mei 2025 heeft de burgemeester van Den Haag een beslissing genomen op het bezwaar tegen het besluit van 27 maart 2025, waarbij het bezwaar van de voorganger niet-ontvankelijk is verklaard. Tegen dit laatste besluit zijn geen rechtsmiddelen ingediend, waardoor deze in rechte vaststaat.
3.1.
Op 1 augustus 2025 heeft de voorganger de supermarkt middels een koopovereenkomst overgedragen aan verzoekster. Op 12 september 2025 heeft de heer [naam 2] (hierna: de exploitant) namens verzoekster een aanvraag voor een bedrijfsactiviteitenvergunning ingediend voor de exploitatie van de supermarkt. Op 15 september 2025 heeft verweerder een ontvangstbevestiging gestuurd voor de aanvraag voor de bedrijfsactiviteitenvergunning. In deze email is verzoekster er nadrukkelijk op gewezen dat zij niet geopend mag zijn tijdens de behandeling van de aanvraag. Dit omdat eerder een vergunningaanvraag van de voorganger buiten behandeling is gesteld. [3] Verzoekster heeft een verzoek bij verweerder ingediend om toch open te mogen zijn. Op 29 september 2025 is dit verzoek door verweerder afgewezen. Op 9 oktober 2025 is door verweerder nog een keer aangegeven dat verzoekster niet mag exploiteren tijdens de behandeling van de aanvraag.
Wat vindt verzoekster?
4. Verzoekster stelt zich - kort samengevat- op het standpunt dat het besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De beleidsregels maken namelijk geen onderscheid tussen nieuwe ondernemers en ondernemers die een bestaand bedrijf overnemen. In dit geval staat verweerder exploitatie gedurende de behandeling van de aanvraag wel toe bij een overname van een bestaande onderneming waarvan eerder een volledige aanvraag is ingediend. Van een dergelijke situatie is ook sprake bij verzoekster, nu een volledige aanvraag is gedaan en alle gevraagde stukken zijn ingediend. Er is nog nooit eerder een vergunningaanvraag van verzoekster geweigerd of buiten behandeling gesteld. Door verzoekster nu toch te verbieden open te zijn, wordt zij ongelijk behandeld ten opzichte van de andere ondernemers die een bestaand bedrijf overnemen. Daarbij komt dat verweerder de belangen van verzoekster onvoldoende heeft meegewogen. De sluiting leidt tot aanzienlijk omzetverlies, bedorven winkelvoorraden, reputatieschade en verlies van klanten, terwijl er geen concreet risico of wettelijke noodzaak is vastgesteld. Verweerder had kunnen kiezen voor een minder verstrekkende maatregel zoals het maken van concrete afspraken over bijvoorbeeld de openingstijden.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een financieel belang, zoals in deze zaak, vormt op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen, omdat de financiële gevolgen van (achteraf bezien) onrechtmatige besluitvorming in beginsel naderhand kunnen worden gecompenseerd. Dit kan anders zijn als sprake is van een acute financiële noodsituatie of als de continuïteit van de betrokken onderneming wordt bedreigd.
5.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster de supermarkt heeft overgenomen terwijl zij wist dat de supermarkt op dat moment gesloten was door de burgemeester. Dit staat namelijk duidelijk vermeld onder punten twee en drie van de op
1 augustus 2025 tussen de voorganger en verzoekster gesloten koopovereenkomst. Als verzoekster de supermarkt daadwerkelijk zo snel mogelijk wilde exploiteren, dan lag het dus voor de hand dat zij zo snel mogelijk na het sluiten van de koopovereenkomst een aanvraag zou indienen voor een bedrijfsactiviteitenvergunning. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat dit ook de gebruikelijke gang van zaken is. Verzoekster heeft echter pas op
12 september 2025 een aanvraag voor een bedrijfsactiviteitenvergunning ingediend. Desgevraagd heeft de exploitant op zitting hiervoor als redenen gegeven dat hij in de tussenliggende periode op vakantie was en niet wist dat de vergunningaanvraag van de voorganger buiten behandeling was gesteld. Hij verkeerde in de veronderstelling dat de aanvraag wel zou worden toegewezen en had het bestreden besluit niet verwacht. Uit deze afwachtende houding maakt de voorzieningenrechter op dat bij de exploitant klaarblijkelijk weinig urgentie bestond om de supermarkt zo snel mogelijk te exploiteren. Ook in deze procedure heeft verzoekster onvoldoende stukken overlegd die aannemelijk maken dat het voortbestaan van de supermarkt wordt bedreigd als zij nu niet open mag. De door haar gestelde reputatieschade heeft zij ook niet concreet onderbouwd. Daarbij heeft verweerder op de zitting aangegeven dat de snelheid van de vergunningprocedure, en daarmee een eventuele heropening van de supermarkt, afhankelijk is van de volledigheid van de informatie die door verzoekster wordt aangeleverd. Nu verzoekster enkele aanvullende Bibob-gerelateerde vragen niet volledig heeft beantwoord, is er nog geen zicht op wanneer de procedure kan worden afgerond. De voorzieningenrechter gaat er daarmee vanuit dat verzoekster zelf ook nog enige invloed kan uitoefenen op de duur van de vergunningprocedure. Het voorgaande in onderling verband bezien brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel verzoekster onvoldoende spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening.
Evident onrechtmatig besluit
6. De door verzoekster gevraagde voorziening kan, nu spoedeisend belang ontbreekt, alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Dit houdt in dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval echter geen sprake. De vergunningaanvraag van de voorganger is buiten behandeling gesteld. De voorzieningenrechter heeft over deze zaak in een uitspraak van 5 juni 2025 [4] overwogen dat die aanvraag op goede gronden buiten behandeling is gesteld. Verweerder is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2:98, lid 15, onder b, van de APV. Anders dan verzoekster heeft betoogd, heeft de aanvraag wel degelijk betrekking op een feitelijke voortzetting van dezelfde bedrijfsmatige activiteiten waarvoor eerder een aanvraag buiten behandeling is gesteld. De voorganger was immers een supermarkt en verzoekster zal ook nu weer een supermarkt exploiteren. Net als verweerder leidt de voorzieningenrechter dit af uit artikelen 1 en 6 van de op 1 augustus 2025 gesloten koopovereenkomst, waarin staat opgenomen dat verzoekster de winkelinventaris, de winkelvoorraden en de arbeidscontracten met de werknemers van de voorganger overneemt. Gelet op dit alles was verweerder bevoegd om verzoeker per e-mail mede te delen dat hij gedurende de aanvraagperiode de supermarkt niet mag exploiteren.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemeen Plaatselijke Verordening Den Haag
2.Het Aanwijzingsbesluit vergunningplicht bedrijfsmatige activiteiten artikel 2:98 APV Pro Den Haag 2024 van 27 augustus 2024 (in werking getreden met ingang van 1 september 2024, zal vervallen op 1 september 2029).
3.Op grond van artikel 2:98, lid 15, onder b, van de APV