Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:26879

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
25/8617
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 174 GemeentewetArt. 2:79 APVArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen tijdelijke sluiting inrichting wegens explosie en veiligheidsrisico

Op 1 november 2025 vond een explosie plaats bij een inrichting in Den Haag, waarbij aanzienlijke vernielingen ontstonden. De politie hield een verdachte aan, maar de eigenaar van de inrichting werd ook betrokken in een onderliggende eerwraakkwestie die verband houdt met het incident. De burgemeester besloot de inrichting voor drie maanden te sluiten om herhaling van geweld te voorkomen en de openbare orde te beschermen.

De eigenaar stelde bezwaar tegen de sluiting en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, stellende dat de sluiting onevenwichtig is en het voortbestaan van de onderneming bedreigt. De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege het risico op faillissement, maar dat de sluiting gelet op de ernst van de situatie en het veiligheidsrisico gerechtvaardigd is.

De rechter benadrukte dat de burgemeester op grond van de Gemeentewet en de APV bevoegd is tot sluiting indien de openbare orde dit vereist, en dat de duur van drie maanden niet onevenredig is gezien de omstandigheden. De aanwezigheid van een nog niet opgelost eerwraakconflict en het lopende strafrechtelijk onderzoek rechtvaardigen de maatregel. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de tijdelijke sluiting van de inrichting wordt afgewezen omdat de sluiting proportioneel en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare orde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8617

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] h.o.d.n. [handelsnaam], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. S. van der Eijk),
en

de burgemeester van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. E.P. Alonso en [naam 1]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de tijdelijke sluiting van ‘[handelsnaam]’ (hierna: de inrichting) in het perceel [adres 1] te Den Haag.
1.1.
Bij besluit van 14 november 2025 heeft verweerder besloten de inrichting te sluiten voor de duur van drie maanden. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: dhr. [naam 2] (de vader van dhr. [verzoeker], de exploitant van de inrichting), de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Op 4 november 2025 heeft verweerder van een medewerker van de politie Eenheid Den Haag een bestuurlijke rapportage ontvangen. Hieruit blijkt dat op 1 november 2025 omstreeks 02:20 uur een explosie plaatsvond bij de [adres 1] te Den Haag, alwaar de inrichting gevestigd is. De politieambtenaren die kort daarna ter plaatse kwamen, constateerden dat bij de dubbele deur van de inrichting het dubbelglas kapot was, voor de deur glasscherven verspreid lagen, er een deuk in het metalen rolluik zat, tussen het rolluik en de dubbele deur een grote hoeveelheid glas lag, er een stukje op een reclamesticker zwartgeblakerd was, er zwarte stof op het houten frame van de brievenbus lag en er voor de deur een stukje zwart papier lag met daarop een groene slang en rood deel van een letter. Diezelfde avond hebben politieambtenaren een man aangemerkt als verdachte en aangehouden op verdenking van brandstichting. Tijdens het verhoor maakte de verdachte gebruik van zijn zwijgrecht. Dhr. [verzoeker], de eigenaar van de inrichting, kwam ten tijde van het onderzoek ook ter plaatse en deed toen direct aangifte van vernieling. In de aangifte staat – voor zover hier van belang – opgenomen dat hij de avond daarvoor omstreeks 22:15 uur zijn winkel afsloot en in goede orde achterliet, dat hij na de melding van de politie direct naar zijn winkel is gegaan, dat hij een vermoeden heeft wie de vernieling heeft aangericht omdat de avond ervoor een jongen bij hem in de winkel was die hem bedreigde en zei dat hij een bom voor zijn deur zou leggen, dat hij niet wist wat de aanleiding hiervan was en dat deze jongen hem vaker heeft bedreigd via Snapchat. In overleg met een medewerker van de directie Veiligheid heeft de eigenaar van de inrichting vervolgens besloten om de inrichting voor een periode van twee weken, dus tot 15 november 2025 om 03:45 uur, te sluiten.
2.1.
Op 5 november 2025 heeft verweerder nadere politie-informatie over de eigenaar van de inrichting ontvangen. Hierin staat – kort samengevat – opgenomen dat de eigenaar sinds 10 mei 2025 als één van de hoofdbetrokkenen verwikkeld is geraakt in een eerwraakkwestie met zijn voormalige buren die woonachtig waren op het adres [adres 2], waarbij (onderling) onder meer sprake is geweest van bedreiging, mishandeling, inbraak en brandstichting. Verweerder houdt er ernstig rekening mee dat deze kwestie verband houdt met de explosie die op 1 november 2025 plaatsvond. Omdat de eerwraakproblematiek nog altijd niet is opgelost, acht verweerder het risico op herhaling van ernstige geweldsincidenten aanwezig. Ter bescherming van het veiligheidsgevoel van bezoekers, personeel, passanten en omwonenden heeft verweerder daarom op 14 november 2025 besloten om de inrichting voor de duur van drie maanden te sluiten. [1]
Wat vindt verzoeker?
3. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar ingesteld en gelijktijdig de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Over het spoedeisende belang geeft verzoeker aan dat het besluit een grote financiële impact heeft die het voortbestaan van de inrichting in gevaar brengt. Ter ondersteuning hiervan heeft verzoeker een aantal belastingaangiften ingebracht, evenals een verklaring van haar boekhouder waarin wordt aangegeven dat zij door de sluiting niet meer aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen en daardoor waarschijnlijk failliet zal gaan.
Verder betwist verzoeker de noodzaak van de sluiting. Behalve de explosie van 1 november 2025 hebben zich in het verleden geen andere incidenten voorgedaan bij de inrichting die de openbare orde hebben verstoord. Bovendien zijn er ten aanzien van de explosie inmiddels twee verdachten aangehouden die momenteel in voorlopige hechtenis zitten. Dat zich in de nabije toekomst nieuwe geweldsincidenten zullen voordoen, vindt verzoeker gelet daarop niet aannemelijk.
Ten aanzien van de evenwichtigheid van de sluiting voert verzoeker aan dat de eigenaar van de inrichting geen blaam treft en zelf ook slachtoffer is van de explosie van 1 november 2025. Voorts verwijst verzoeker in dit verband naar een uitspraak [2] die de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland heeft gedaan in een vergelijkbare zaak en waarin – kort samengevat – is geoordeeld dat door het signaal die de sluiting heeft gegeven, de media-aandacht die dit heeft gegenereerd en het feit dat zich na de sluiting geen nieuwe incidenten hebben voorgedaan, geen noodzaak bestaat voor een sluiting van langer dan een week zodat de bedrijfsvoering van de onderneming van betrokkene zo snel mogelijk kan worden voortgezet. Ook in het licht daarvan vindt verzoeker de sluiting van de inrichting voor de duur van drie maanden in dit geval onevenwichtig.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij op grond van artikel 8:81, eerste lid van de Awb alleen een voorlopige voorziening treft als onverwijlde spoed dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
4.1.
Op de zitting heeft de vader van de exploitant van de inrichting op geloofwaardige wijze naar voren gebracht dat de inrichting schulden heeft bij meerdere leveranciers en dat hij kostbaarheden heeft moeten verpanden en geld bij familie heeft moeten lenen om deze te kunnen afbetalen. Tegelijkertijd lopen de vaste lasten ook gewoon door. Dit tezamen met de twee door verzoeker ingebrachte belastingaangiften en verklaring van de boekhouder brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het aannemelijk is dat het voortbestaan van de inrichting in gevaar zal komen als deze tot het einde van de termijn gesloten blijft. Dat de inrichting binnenkort zal worden overgenomen door een andere eigenaar, zoals verweerder heeft gesteld, is niet met nadere stukken onderbouwd en betrekt de voorzieningenrechter om die reden niet bij de beoordeling of in dit geval sprake is van onverwijlde spoed.
Mocht verweerder de inrichting voor de duur voor drie maanden sluiten?
5. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat verweerder de inrichting voor de duur van drie maanden mocht sluiten. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt.
5.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder op grond van artikel 174 van Pro de Gemeentewet en artikel 2:79, eerste lid, van de APV over mag gaan tot sluiting van een bedrijfspand als de openbare orde dit naar zijn oordeel vereist. Verder heeft de hoogste bestuursrechter bepaald dat bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting aan de orde is of verweerder met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan. Aan de hand van de ernst en omvang van het incident moet worden beoordeeld of sluiting van een pand noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Persoonlijke verwijtbaarheid van de betrokkene is daarbij niet noodzakelijk. [3] Als verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, dient hij zich ervan te vergewissen dat de duur evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. Verschillende omstandigheden zijn bij de evenwichtigheid van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer van het pand gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat verweerder een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. [4]
5.2.
Net als verweerder vindt de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de explosie van 1 november 2025 samenhangt met de eerwraakproblematiek, waarvan het bestaan voldoende duidelijk wordt uit de politie-informatie van 5 november 2025. Vooralsnog is niet gebleken dat deze problematiek is opgelost. Ook op de zitting is hier aan de zijde van verzoeker niet meer duidelijkheid over verschaft. Het gegeven dat op de zitting is gebleken dat de eigenaar van de inrichting zich momenteel in voorlopige hechtenis bevindt vanwege de verdenking van mishandeling die samenhangt met de eerwraakproblematiek, is voor de voorzieningenrechter juist een aanwijzing dat de gemoederen rondom deze kwestie allerminst zijn bedaard. Tegen deze achtergrond heeft verweerder het risico op herhaling van geweldsincidenten om en nabij de inrichting aanwezig mogen achten. Dat de vader van de eigenaar van de inrichting de detentie van zijn zoon op de zitting verzweeg, terwijl de voorzieningenrechter hem de vraag stelde waarom hij afwezig was bij de zitting, sterkt de voorzieningenrechter in deze opvatting. Anders dan verzoeker heeft gesteld, maakt het gegeven dat inmiddels twee verdachten voor de explosie zijn opgepakt en in voorlopige hechtenis zijn geplaatst, niet dat dit risico daarmee kleiner is geworden dan wel volledig is weggenomen. Nog daargelaten dat het strafrechtelijk onderzoek nog loopt en daardoor niet met zekerheid kan worden gesteld dat de twee verdachten ook de daders betreffen, heeft verweerder er terecht op gewezen dat het een feit van algemene bekendheid is dat ook andere personen kunnen worden ingezet om vergelijkbare aanslagen te plegen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat met een minder ingrijpend middel niet kon worden volstaan en de inrichting ter bescherming van de openbare orde mogen sluiten voor een periode van drie maanden. Bij de duur van de sluiting weegt de voorzieningenrechter ook de impact mee die de explosie heeft gehad op de omwonenden van de inrichting.
5.3.
Verder is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat de nadelige gevolgen van de sluiting voor de duur van drie maanden niet onevenredig zijn aan de hiermee te dienen doelen. Nog daargelaten de vraag of verzoeker zelf een aandeel heeft gehad in het ontstaan van de explosie, heeft verweerder deze omstandigheid in redelijkheid niet zwaarder hoeven laten wegen dan de effecten die de explosie op de directe woon- en leefomgeving van het pand heeft (gehad). Ditzelfde geldt voor de financiële impact die de sluiting heeft op de inrichting. Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat niet is gebleken van een bijzondere binding met het pand en dat verweerder in het verweerschrift onweersproken heeft gesteld dat verzoeker na ommekomst van de sluiting weer gebruik kan maken van het pand. Bovendien heeft verweerder aangegeven dat de sluiting voortijdig zal worden opgeheven als er nieuwe informatie binnenkomt waaruit blijkt dat er geen risico op herhaling meer bestaat. Ook het beroep van verzoeker op de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland kan haar niet baten. Anders dan in deze zaak was er in die zaak namelijk geen sprake van belangrijke politie-informatie waaruit kan worden afgeleid dat het risico op herhaling van geweldsincidenten als aanwezig moet worden aangemerkt.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 174, eerste en derde lid, van de Gemeentewet jo. artikel 2:79, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Den Haag (hierna: de APV).
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910.