ECLI:NL:RBDHA:2025:26901

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
NL25.58630
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie legde op 26 november 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 9 december 2025 via een audioverbinding.

Eiser voerde aan dat de bewaring in strijd was met het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat hij niet op de hoogte was gesteld van de vertrektermijn uit Nederland. De rechtbank oordeelde dat eiser wel degelijk op de hoogte was van zijn vertrekplicht, onder meer door eerdere besluiten, gesprekken en het feit dat hij niet verscheen bij een vertrekgesprek.

De minister baseerde de bewaring op zware gronden zoals het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen en het onttrekken aan toezicht, en lichte gronden zoals het ontbreken van vaste woonplaats. Eiser betwistte deze gronden, maar de rechtbank stelde vast dat de zware gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn om de bewaring te dragen.

Eiser stelde dat de minister ten onrechte geen lichter middel had toegepast, zoals plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL). De rechtbank vond dat de minister dit voldoende had gemotiveerd en dat het onttrekkingsrisico en het gebrek aan medewerking van eiser een zwaardere maatregel rechtvaardigden.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58630

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. Bozkürt).

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025, met behulp van een audioverbinding, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Is de inbewaringstelling van eiser in strijd met het vertrouwensbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel?
1. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring in strijd is met het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Eiser was niet bekend met de termijn waarop hij Nederland had moeten verlaten. Eiser heeft geen brief ontvangen waarin deze termijn aan hem bekend is gemaakt. Eiser was bezig met het verkrijgen van aanvullend bewijs voordat hij een nieuwe asielaanvraag ging indienen. Het COa heeft toegezegd eiser te informeren op welke datum hij de opvang moest verlaten. Dit bericht heeft eiser niet gehad. In dit kader verwijst eiser naar een berichtenwisseling tussen hem en de advocaat die hem bijstaat in de asielprocedure.
1.1.
Aan eiser is op 14 mei 2021 een terugkeerbesluit opgelegd. Het door eiser ingestelde beroep tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Dit is met eiser besproken tijdens het vertrekgesprek op 8 december 2022, waarbij eiser ook is gewezen op zijn vertrekplicht. Met het besluit van 8 juli 2025 heeft de minister de opvolgende asielaanvraag van eiser afgewezen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft het hoger beroep van eiser tegen dit besluit op 19 november 2025 ongegrond verklaard. [1] Eiser is uitgenodigd voor een vertrekgesprek op 29 oktober 2025, waar eiser vervolgens niet is verschenen. Uit deze gang van zaken blijkt dat eiser wist dan wel behoorde te weten dat op hem een vertrekplicht rust. De door eiser overgelegde berichtenwisseling met zijn asieladvocaat maakt dit niet anders. Eiser verwijst hierin naar een gesprek met het COa over het recht op opvang. Dit is echter iets anders dan de gestelde vertrektermijn. Bovendien had eiser, als hier vragen over waren, contact kunnen opnemen met zijn asieladvocaat, die hem ook op de hoogte moest stellen van de uitkomst van het hoger beroep. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
Op de zitting heeft de minister lichte grond 4d laten vallen.
2.2.
Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Met betrekking tot zware grond 3a voert eiser aan dat hij met een studievisum naar Nederland is gereisd, omdat er als vluchteling geen andere (legale) manier is om Nederland binnen te komen. Dit is bij vrijwel alle asielzoekers het geval. Om die reden kan dit niet aan eiser worden tegengeworpen. Ook zware grond 3b kan niet aan eiser worden tegengeworpen. Eiser betoogt dat hij de opvang heeft verlaten omdat hij bezig was met het verzamelen van nieuw bewijs van zijn vervolging als koptisch christen en als politiek-religieus tegenstander.
2.3.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen zware gronden 3a en 3b de maatregel van bewaring dragen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat kan worden volstaan met de feitelijke juistheid van zware gronden 3a en 3b. [2] Anders dan eiser betoogt is zware grond 3a feitelijk juist. Hierbij verwijst de rechtbank naar vaste rechtspraak van de Afdeling. Hieruit volgt dat een vreemdeling niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen wanneer een visum voor kort verblijf is aangevraagd, terwijl ten tijde van de visumaanvraag de intentie al bestond om voor langere tijd in Nederland te verblijven. [3] De feitelijke juistheid van zware grond 3b is niet betwist. Het enkele betoog van eiser dat hij met onbekende bestemming is vertrokken omdat hij bewijsmateriaal wilde verzamelen doet niet af aan de feitelijke juistheid hiervan. Deze gronden tezamen zijn voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Hetgeen verder is aangevoerd tegen de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden kan daarom niet leiden tot onrechtmatigheid van de bewaring. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister ten onrechte geen lichter middel opgelegd?
3. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen lichter middel heeft opgelegd. Eiser voert aan dat het onevenredig is dat de minister niet heeft volstaan met het plaatsen van eiser in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) van het COa. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom niet is gekozen voor een lichter middel dan de inbewaringstelling van eiser.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet hoeven volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling van eiser. Dit heeft de minister voldoende gemotiveerd in de maatregel van bewaring. Het onttrekkingsrisico van eiser blijkt bovendien uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. De minister wijst er terecht op dat het eerder toepassen van een lichter middel, het voeren van vertrekgesprekken en het opleggen van een meldplicht, niet heeft geleid tot het zelfstandig vertrek van eiser. Bovendien wijst de minister er terecht op dat uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling niet blijkt dat eiser wil meewerken aan zijn vertrek naar Egypte. Daarmee bestond voor de minister ook geen aanleiding om vanuit een VBL te werken aan vertrekken, omdat eiser niet heeft aangegeven te willen meewerken aan zijn vertrek. Dat de minister had moeten motiveren waarom niet is gekozen voor een VBL, volgt de rechtbank dan ook niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. In de door de minister en eiser verstrekte gegevens ziet de rechtbank geen grond om, ambtshalve toetsend, te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [4]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5555.
2.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
3.ABRvS 7 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2125.
4.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).