ECLI:NL:RBDHA:2025:27021

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
C/09/692922 / FA RK 25-7693
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en voorlopige voorzieningen in het belang van minderjarige kinderen

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de moeder tot wijziging van de zorgregeling voor haar twee minderjarige kinderen. De moeder wilde dat de kinderen doordeweeks bij haar verblijven en alleen in het weekend bij de vader, vanwege spanningen en zorgen over het welzijn van de kinderen. De vader verzocht de huidige regeling te handhaven en stelde dat hij betrokken is bij de kinderen en dat er geen sprake is van onveiligheid.

De rechtbank oordeelde dat voor het jongste kind geen wijziging van de zorgregeling nodig was, omdat de moeder onvoldoende onderbouwing gaf en het kind aangaf het bij de vader naar zijn zin te hebben. Voor het oudste kind, dat sinds de zomer geen contact meer met de vader wilde, achtte de rechtbank herstelbemiddeling noodzakelijk voordat omgang kan worden hervat. De omgang wordt voorlopig beperkt tot om het weekend, na succesvolle bemiddeling.

Daarnaast verwees de rechtbank de ouders naar een ouderschapsbemiddelingstraject en de kinderen naar een KIES-training om hen te ondersteunen bij de scheidingssituatie. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en verdere beslissingen over de zorgregeling voor het oudste kind worden aangehouden tot 1 juni 2026.

Uitkomst: Verzoek tot wijziging zorgregeling voor jongste kind afgewezen, herstelbemiddeling verplicht gesteld voor omgang oudste kind, ouders en kinderen doorverwezen naar bemiddeling en training.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-7693 (bodem) + FA RK 25-7694 (voorlopige voorzieningen)
Zaaknummer: C/09/692922 (bodem) + C/09/692927 (voorlopige voorzieningen)
Datum beschikking: 23 december 2025
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv Pro

Beschikking op het op 12 oktober 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Gopal te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Broijl te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft in de voorlopige voorzieningenprocedure kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift.
De rechtbank heeft in de bodemprocedure kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift;
- het F9-formulier van 15 oktober 2025 van de zijde van de moeder, met bijlage;
- het F9-formulier van 24 november 2025 van de zijde van de vader, met bijlage;
- de brief van 24 november 2025 van de zijde van de moeder, met bijlagen.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 25 november 2025 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Verzoek en verweer (voorlopige voorzieningen)

De moeder verzoekt:
- dat de volgende voorlopige zorgregeling wordt getroffen: de kinderen verblijven
van maandag tot vrijdag bij de moeder en om het weekend bij de vader zodat de
huidige zorgregeling gewijzigd wordt in de regeling zoals nader omschreven onder
punt 15 van het verzoekschrift:
- danwel een voorlopige regeling die de rechtbank in het belang van de kinderen
acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig:
- de ouders door te verwijzen naar het SKT (de rechtbank begrijpt: Sociaal Kernteam Westland) voor ouderschapsbemiddeling, in het bijzonder het begeleiden van partijen in het vormgeven van de communicatie conform het parallel ouderschapsmodel, nadere uitwerking van de zorgregeling/verdeling en het vastleggen van afspraken, danwel een beslissing te nemen die de rechtbank redelijk en passend acht.

Verzoek en verweer (bodemprocedure)

De moeder verzoekt:
- de door de ouders onderling getroffen zorgregeling te wijzigen zoals uiteen gezet in
productie 13 en 14 van haar verzoekschrift;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig:
- de ouders door te verwijzen naar het SKT voor ouderschapsbemiddeling, in het
bijzonder het begeleiden van partijen in het vormgeven van de communicatie
conform het parallel ouderschapsmodel, nadere uitwerking van de
zorgregeling/verdeling en het vastleggen van afspraken, danwel een beslissing te
nemen die de rechtbank redelijk en passend acht.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [dag] 2010 te [plaats] .
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats 1] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] .
  • De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
  • Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
  • Deze rechtbank heeft op 29 juli 2020 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende:
- dat de kinderen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
- dat de man voorlopig gerechtigd is om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij zich te hebben iedere week van zondagochtend 10.00 uur tot woensdagochtend naar school, waarbij de vrouw de kinderen op zondagochtend bij de man brengt en de vrouw de kinderen op woensdagochtend naar school brengt.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 25 oktober 2021 is – voor zover hier van belang –:
- bepaalt dat de kinderen de hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben;
- opgenomen de door partijen in onderling overleg getroffen basiszorgregeling zoals neergelegd in het (in kopie) aan deze beschikking gehechte ouderschapsplan/schema;
- bepaald dat de kinderen de helft van de feestdagen (Kerst, Oud en Nieuw, Pasen) en de helft van de vakanties (in de zomer drie weken aaneengesloten) bij de vader verblijven, waarbij de verdeling telkens in onderling overleg en tijdig tussen partijen zal worden afgestemd.

Beoordeling

In de voorlopige voorzieningenprocedure
Wettelijk kader
Op grond van het eerste lid van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (Hoge Raad 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
Tijdens de zitting hebben partijen hun verzoeken in de voorlopige voorzieningenprocedure ingetrokken, waardoor de rechtbank geen beslissing meer hoeft te nemen ten aanzien van de voorlopige voorzieningen.
In de bodemprocedure
Wijziging zorgregeling
Wettelijk kader
Gelet op het bepaalde in artikel 1:253a in verbinding met 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake de zorgverdeling alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder verzoekt een wijziging van de zorgregeling omdat zij vindt dat de huidige zorgregeling te veel spanningen voor de kinderen met zich brengt. De moeder stelt dat het beter is als de kinderen voortaan doordeweeks, alle dagen, bij haar zijn, zodat zij aanwezig kan zijn bij school- en sportactiviteiten en afspraken met vriendjes en hierin ook de benodigde zaken kan regelen. Volgens de moeder is de vader nauwelijks actief betrokken bij de school van de kinderen en komt alle organisatie ook nu al op haar neer. Daarnaast hebben de kinderen aan de moeder verteld dat het jongste kind van de vader en stiefmoeder regelmatig door de stiefmoeder zou worden geslagen, soms zelfs met voorwerpen. Hoewel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet zijn geslagen, krijgt [minderjarige 1] volgens de moeder wel geregeld te maken met verbaal geweld. Sinds de zomervakantie heeft [minderjarige 1] bovendien aangegeven niet meer naar de vader te willen. Gelet op deze omstandigheden meent de moeder dat een wijziging van de zorgregeling in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
De vader voert verweer en stelt dat een wijziging van de zorgregeling niet in het belang van de kinderen is. In tegenstelling tot wat de moeder stelt, ervaren de kinderen juist rust en structuur wanneer ze bij hem verblijven. Van onveiligheid binnen het gezin is volgens de vader geen sprake. Ook geeft hij aan wel degelijk betrokken te zijn bij school en nevenactiviteiten. De vader acht het daarom wenselijk dat de huidige regeling wordt voortgezet. De vader is ervan overtuigd dat de door de moeder geuite zorgen niet voortkomen uit het verblijf van de kinderen bij hem, maar uit de wijze waarop de moeder communiceert en probeert alle controle te behouden, ook als de kinderen bij hun vader zijn. Omdat de communicatie tussen de ouders moeizaam verloopt en dit volgens de vader spanningen bij de kinderen veroorzaakt, wil de vader dat de ouders zich aanmelden voor ouderschapsbemiddeling om aan hun onderlinge samenwerking als ouders en vooral hun communicatie te werken. Met betrekking tot [minderjarige 1] merkt de vader op dat hij het betreurt dat er momenteel geen contact tussen hen is. Tijdens de zitting heeft de vader aangegeven open te staan voor begeleiding om het contact met [minderjarige 1] te herstellen.
De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van [minderjarige 2] is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om de zorgregeling te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige 2] voortaan alleen nog om het weekend bij de vader zal verblijven. De moeder heeft onvoldoende onderbouwd waarom het in het belang van [minderjarige 2] zou zijn om doordeweeks uitsluitend bij haar te verblijven. Hoewel de communicatie en samenwerking tussen de ouders moeizaam verloopt, verandert dit niet doordat [minderjarige 2] alleen nog in de weekenden naar de vader zou gaan. Bovendien heeft [minderjarige 2] aangegeven het ook bij zijn vader naar zijn zin te hebben. Dat de moeder het noodzakelijk vindt dat zij alle zaken rondom school, nevenactiviteiten en hulpverlening regelt, maakt dit niet anders. Volgens haar eigen stellingen doet zij dit nu ook al en daarvoor is het bovendien niet nodig dat [minderjarige 2] alle doordeweekse dagen bij haar is. De moeder dient te beseffen dat de vader ook met het gezag is belast, dus zij kan belangrijke zaken rondom de kinderen niet regelen zonder de vader daarbij te betrekken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen enkele aanleiding bestaat de zorgregeling voor [minderjarige 2] te wijzigen. Dit betekent dat [minderjarige 2] elke week op maandag en dinsdag bij de vader verblijft en woensdag, donderdag en vrijdag bij de moeder verblijft. De weekenden worden om de week afgewisseld zodat [minderjarige 2] om het weekend bij de moeder of de vader verblijft.
Ten aanzien van [minderjarige 1] ligt het anders. Vast staat dat [minderjarige 1] sinds de zomer niet meer naar de vader is gegaan en een duidelijke weerstand heeft tegen contact en herstel van het contact met zijn vader. Deze weerstand moet ergens vandaan komen en verdient het om uiterst serieus te worden genomen. Gezien de heftigheid van de weerstand tegen contact(herstel) met zijn vader acht de rechtbank het noodzakelijk dat eerst een vorm van herstelbemiddeling tussen [minderjarige 1] en de vader plaatsvindt, voordat kan worden teruggekeerd naar een zorgregeling. Tijdens de zitting is besproken dat dit mogelijk op korte termijn via de huisarts kan worden georganiseerd. De ouders hebben aangegeven dit te zullen oppakken, en de rechtbank gaat ervan uit dat zij dit ook daadwerkelijk zullen doen. Dit is een noodzakelijk eerste stap om contact tussen [minderjarige 1] en zijn vader weer mogelijk te maken. Belangrijk is dat [minderjarige 1] de kans krijgt om te vertellen wat hem dwars zit en dat de vader naar hem luistert. Na de bemiddeling zou de omgang weer kunnen worden hervat, maar daarbij moet goed gelet worden dat dit niet te snel gaat en op een wijze waar [minderjarige 1] zich prettig bij voelt. De rechtbank zal ten aanzien van [minderjarige 1] dan ook een
voorlopigezorgregeling bepalen waarbij hij om het weekend bij de vader verblijft. Deze regeling gaat pas in, nadat [minderjarige 1] en de vader een herstelgesprek/herstelgesprekken hebben gehad. De rechtbank zal een definitieve beslissing omtrent de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] aanhouden, in afwachting van de uitkomst van de bemiddeling tussen [minderjarige 1] en de vader.
Daarnaast merkt de rechtbank op dat het verstandig is als de ouders een ouderschapsbemiddelingstraject doorlopen, zodat zij opnieuw leren op constructieve wijze samen te werken in het belang van de kinderen. Beide ouders hebben tijdens de zitting hun bereidheid uitgesproken om aan dit traject deel te nemen. De rechtbank zal de ouders daarom in de gelegenheid stellen om deel te nemen aan het ouderschapsbemiddelingstraject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per e-mail verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking ook per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding. De rechtbank ziet geen aanleiding een zogenoemde “lus” op te nemen naar de Raad.
Tot slot acht de rechtbank het van belang dat er hulp voor de kinderen wordt georganiseerd. Tijdens de kindgesprekken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is duidelijk geworden dat beide kinderen veel last ondervinden van de scheiding maar vooral van de wijze waarop hun ouders met elkaar omgaan. In het belang van de kinderen is het daarom wenselijk dat zij een KIES-training of een vergelijkbaar traject volgen, zodat zij handvatten krijgen om beter met de situatie om te gaan. De rechtbank heeft de kinderen om die reden, zoals ook uit het proces-verbaal blijkt, doorverwezen naar een dergelijk traject of training. Daarbij benadrukt de rechtbank dat hulp voor de kinderen niet het probleem oplost zolang de ouders op deze manier met elkaar blijven communiceren. In dat geval blijven de kinderen in de situatie verzeild waarin zij zoveel last ondervinden en wordt de oorzaak van hun probleem niet weggenomen. Het is aan de ouders om stappen te zetten.
Kindbrief
De kinderrechter heeft enkele dagen voor de zitting met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gesproken. Zij hebben toen beiden aangegeven dat zij graag een brief van de rechter krijgen waarin staat wat de beslissing is en waarom. Hieronder volgt de tekst van die brief, zodat beide ouders weten welke boodschap [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben ontvangen.
Beste [minderjarige 2] ,
Op 25 november 2025 hebben wij met elkaar gesproken. Wij hebben het toen gehad over hoe het met je gaat maar vooral ook over wat jij graag zou willen als het gaat over het deels bij je moeder en deels bij je vader wonen.
Ik weet nog goed dat ik vond dat jij ontzettend duidelijk kon vertellen wat jij graag wilde, namelijk dat er voor jou niets verandert. Je houdt ontzettend veel van allebei je ouders en je hebt het bij hen allebei heel fijn als je daar bent. Ook vertelde je mij dat jouw planning is afgestemd op de regeling zoals die er nu is en dat je aan deze regeling gewend bent.
Ik heb beslist dat er geen reden is om voor jou iets te veranderen. Dat betekent dat de regeling zoals die er is en waar jij je prettig bij voelt, gewoon zo blijft als die nu is.
Toch maak ik me ook zorgen. Ik merkte aan je dat jij last hebt van hoe het tussen jouw ouders gaat en dat vind ik heel verdrietig. Volgens mij denk je er veel over na en ben je er veel mee bezig. Je vertelde dat je je hierdoor soms moeilijk kunt focussen op bijvoorbeeld je huiswerk en dat er regelmatig momenten zijn dat je hierdoor geen rust vindt.
Ik heb met je ouders besproken dat het goed voor jou, en ook voor je broer, zou zijn als je hulp krijgt om wat minder last te hebben van de situatie. Je ouders vinden dat ook belangrijk en staan daar achter. Daarom heb ik jullie voor een training verwezen naar de daarvoor geschikte hulp. Ik hoop dat je er wat aan zult hebben.
Ik hoop dat ik hiermee mijn beslissing aan jou heb kunnen uitleggen. Voor jouw ouders maak ik een officiële uitspraak waarin ik ook de inhoud van deze brief opneem. Zo weten jouw ouders wat ik daarover aan jou heb geschreven. Ik wens jou veel succes met alles.
De kinderrechter
Beste [minderjarige 1] ,
Op 25 november 2025 hebben wij met elkaar gesproken. Wij hebben het toen gehad over hoe het met je gaat maar vooral ook over wat jij graag zou willen als het gaat over deels bij je moeder en deels bij je vader wonen.
Daar heb je een heel duidelijke mening over: je wilt op dit moment geen contact met je vader. Je hebt mij ook heel duidelijk uitgelegd waarom jij dat niet wil. Ik vind het belangrijk dat je weet dat ik het heel serieus neem wat jij allemaal hebt verteld en ik houd daar bij mijn beslissing ook rekening mee.
Jouw vader en jouw moeder vinden het verstandig dat jij wel weer contact met je vader hebt en ook weer bij jouw vader bent en daar overnacht. Alleen vindt jouw moeder dat dit om het weekend zou moeten zijn en jouw vader vindt dat de regeling zoals die nu bestaat, door zou moeten gaan.
Ik vind het vooral belangrijk dat jij de kans krijgt om te vertellen waar jouw verdriet en ook jouw boosheid vandaan komen. Ik denk dat het jou heel erg kan helpen als jij daarover met je vader kunt praten en dat jouw ouders iets doen met wat jij vertelt. Dat betekent natuurlijk niet dat ik vind dat jij alles met je vader samen moet gaan uitpraten. Het is naar mijn mening veel verstandiger als dat onder begeleiding van een professional gebeurt, dat heet herstelbemiddeling.
Ik heb dit ook op de zitting met jouw ouders besproken. En zij staan er allebei achter. Ik heb er goede hoop op dat het jou kan helpen zodat jij je gezien en gehoord voelt. Volgens mij is dat wat je graag wil en dat is ook heel belangrijk. Ik vind dat zelfs zo belangrijk dat ik vind dat deze herstelbemiddeling eerst moet zijn gestart voordat er weer een vorm van omgang tussen jou en je vader kan zijn. Want vanuit de situatie zoals die er nu is, is dat denk ik geen goed idee. Dat betekent dat ik dus heb beslist dat er pas weer omgang met je vader is, als de herstelbemiddeling is gestart en wat heeft opgeleverd en dat de omgang dan eerst alleen om het weekend is.
Ook is het belangrijk dat jij, en ook je broer, hulp krijgen om wat minder last te hebben van de situatie tussen je ouders want volgens mij heb ook jij daar heel veel last van. En dat is heel erg begrijpelijk. Ik heb daar een verwijzing voor gemaakt en hoop dat het jou helpt.
Ik hoop dat ik hiermee mijn beslissing aan jou heb kunnen uitleggen. Voor jouw ouders maak ik een officiële uitspraak waarin ik ook de inhoud van deze brief opneem. Zo weten jouw ouders wat ik daarover aan jou heb geschreven. Ik wens jou veel succes met alles.
De kinderrechter

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek van de moeder ten aanzien van [minderjarige 2] af;
bepaalt dat [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats 1]
voorlopigom de week een weekend bij de vader zal zijn, en bepaalt daarbij dat deze regeling niet eerder ingaat dan dat er onder (professionele) begeleiding een vorm van herstelbemiddeling tussen [minderjarige 1] en zijn vader heeft plaatsgevonden;
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de moeder] (de moeder),
wonende op een bij de Rechtbank bekend adres,
en
[de vader] (de vader),
wonende op een ij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor deelname aan Training voor Kinderen van Gescheiden Ouders (KIES-training), en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding, [adres] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van de zorgregeling (ten aanzien van [minderjarige 1] )pro forma aan tot 1 juni 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Visser als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 december 2025.