ECLI:NL:RBDHA:2025:27089
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Recreatiewoning kwalificeert niet als eigen woning; verzuimboete terecht opgelegd
Eiser is sinds 1997 eigenaar van een recreatiewoning in een recreatiepark te [plaats 1], maar staat sinds 2021 ingeschreven op een ander adres in [plaats 2]. Voor het belastingjaar 2023 heeft eiser te laat aangifte IB/PVV gedaan, waarop een verzuimboete is opgelegd.
De kern van het geschil betreft de vraag of de recreatiewoning kwalificeert als eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet IB 2001. De rechtbank stelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de recreatiewoning het middelpunt van zijn persoonlijke en economische belangen vormt. Diverse omstandigheden, zoals het merendeel van de uitgaven, energieverbruik en sociale activiteiten in [plaats 2], spreken tegen de kwalificatie als eigen woning.
Daarnaast is de verzuimboete wegens het te laat indienen van de aangifte terecht opgelegd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van afwezigheid van alle schuld, ondanks de omstandigheden rondom de zorg en het overlijden van zijn schoonzus.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot matiging van de boete. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de recreatiewoning niet als eigen woning kwalificeert en de verzuimboete terecht is opgelegd.