AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER voor tante zonder afhankelijkheidsverhouding
Eiseres, een Zuid-Koreaanse vrouw, vroeg om een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 20 VWEUPro en het arrest Chavez-Vilchez, omdat zij bij haar minderjarige nichtjes in Nederland verblijft. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat eiseres geen biologische of juridische ouder is en er geen afhankelijkheidsverhouding met de referenten bestaat.
Eiseres voerde in beroep aan dat de minister de voorwaarden onjuist en te restrictief toepaste, met name dat zij feitelijk een ouderrol vervult en zorg- en opvoedtaken verricht. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht heeft meegewogen dat de vader van de kinderen de wettelijke ouder is, de zorg- en opvoedtaken uitvoert en dat er geen zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat de kinderen gedwongen zouden zijn Nederland te verlaten.
De rechtbank stelde vast dat de minister de relevante omstandigheden, zoals de leeftijd en emotionele ontwikkeling van de kinderen, en de affectieve relatie met eiseres heeft betrokken. De minister mocht concluderen dat de band tussen eiseres en de kinderen onvoldoende is om een verblijfsrecht te verlenen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de aanvraag verblijfsdocument blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/695
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak van 15 december 2025 tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. A. Abdi)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S.N.J. Versteeg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. [1]
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 4 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 april 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de broer van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft de Zuid-Koreaanse nationaliteit. Zij heeft op 23 maart 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 20 VWEUPro [2] en het arrest Chavez-Vilchez [3] . Eiseres wenst verblijf op grond van het Unierecht als tante van [referent 1] en [referent 2] (referenten), die de Nederlandse nationaliteit hebben. Eiseres verblijft sinds 2023 in Nederland bij referenten en haar broer.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet de biologische of juridische ouder is van referenten. [4] Daarnaast is niet gebleken dat tussen eiseres en referenten een afhankelijkheidsverhouding bestaat. [5]
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Verweerder past de voorwaarden van de afhankelijkheidsverhouding (voorwaarde d) en het biologisch juridisch ouderschap (voorwaarde b) onjuist en te restrictief toe. Verweerder mocht het biologisch juridisch ouderschap niet als zelfstandige afwijzingsgrond tegenwerpen en verweerder had moeten beoordelen of eiseres feitelijk in de ouderrol is getreden en daarmee een rol vervult die inhoudelijk vergelijkbaar is met een pleeg- of opvangouder. Ten aanzien van de afhankelijkheidsverhouding wijst eiseres op een uitspraak van de hoogste bestuursrechter [6] en een informatiebericht [7] waarin is geoordeeld dat zorg- en opvoedtaken betrokken moeten worden bij de vraag of er een afhankelijkheidsverhouding bestaat. Eiseres woont sinds 2023 bij de kinderen in huis en voert zorg- en opvoedtaken uit. Referenten zijn emotioneel aan eiseres gehecht en het risico bestaat dat de referenten de Europese Unie moeten verlaten als aan eiseres geen verblijfsrecht wordt toegekend. Verweerder heeft deze omstandigheden onvoldoende betrokken in zijn besluitvorming. De beschikking is daarom in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Afhankelijkheidsverhouding (voorwaarde d)
6. Tussen partijen is in geschil of tussen eiseres en referenten sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat referenten gedwongen zouden zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiseres een verblijfsrecht wordt geweigerd.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet voldoet aan deze voorwaarde van het Chavez-Vilchez arrest. Bij de beoordeling of sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding moet verweerder in het hogere belang van het kind alle omstandigheden in zijn beoordeling betrekken. Zo moet verweerder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van de affectieve relatie zowel met de ouder die burger van de Unie is als de derdelander ouder en het risico voor het evenwicht van het kind indien de hij of zij van de derdelander ouder wordt gescheiden. [8] Nu deze voorwaarden door verweerder in de besluitvorming zijn betrokken, kan de beroepsgrond van eiseres dat verweerder voorwaarden hanteert die niet voortvloeien uit het arrest Chavez-Vilchez, niet slagen.
8. Verweerder heeft in zijn beoordeling van de afhankelijkheidsverhouding van belang kunnen vinden dat de vader van referenten de zorg- en opvoedtaken voor de kinderen uitvoert, hij de financiële verantwoordelijkheid draagt en de wettelijke verantwoordelijkheid over de kinderen heeft. Ook hebben referenten hun hoofdverblijf bij de vader. De vader is de gezaghebbende ouder, heeft de Nederlandse nationaliteit en heeft hier verblijfsrecht. Gelet op het voorgaande heeft verweerder eiseres erop mogen wijzen dat zij niet exclusief voor de kinderen zorgt en hierom geen sprake is van een afhankelijkheidsverhouding. Verder heeft verweerder in zijn beoordeling mogen betrekken dat de verklaring van de vader dat referenten gedwongen zouden zijn Nederland te verlaten als eiseres geen verblijf wordt toegekend, omdat hij vanwege zijn baan de zorg- en opvoedtaken niet kan uitoefenen, geen afdoende reden is om verblijf aan eiseres toe te staan of de conclusie te trekken dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referenten. Verweerder heeft eiseres erop mogen wijzen dat er andere manieren zijn om opvang voor referenten te regelen als hun vader aan het werk is. Ook heeft verweerder in zijn beoordeling de leeftijden van referenten (ten tijde van het besluit zes en acht jaar oud) en hun sociale en emotionele ontwikkeling betrokken, maar verweerder heeft eiseres terecht gewezen op het feit dat de vader verantwoordelijk is voor de zorg, opvoeding en ontwikkeling van referenten. Bovendien is ook de moeder van de kinderen nog in beeld. Verweerder heeft mogen betrekken dat eiseres en referenten een goede band hebben, maar dat dit onvoldoende is om te concluderen dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat. Het beroep van eiseres op de afdelingsuitspraak leidt niet tot een ander oordeel, nu geen sprake is van vergelijkbare zaken. In de uitspraak van de afdeling werd niet voldaan aan de voorwaarde dat de vreemdeling zorg- en opvoedtaken verrichtte. In onderhavige zaak is verweerder er wel van uitgegaan dat eiseres zorg- en opvoedtaken verricht, maar heeft verweerder op zitting verduidelijkt dat dit niet zonder meer voldoende is om ook uit te gaan van een afhankelijkheidsverhouding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat niet is aangetoond dat referenten zo afhankelijk van eiseres zijn, dat zij gedwongen worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als haar een verblijfsrecht wordt geweigerd.
Biologisch en juridisch ouderschap (voorwaarde b)
9. De rechtbank stelt bij deze beoordeling voorop dat er in ieder geval sprake is van ouderschap als het juridische of het biologische ouderschap is aangetoond. Ook andere feitelijke verzorgers, zoals stief-, pleeg- en opvangouders, kunnen als ouder in de zin van dit beleid worden aangemerkt, zolang zij die rol op vergelijkbare wijze invullen. [9] De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet voldoet aan voorwaarde b. Verweerder heeft in zijn beoordeling mogen betrekken dat eiseres als tante niet een van de biologische ouders is van referenten en zij geen juridische zeggenschap of gezag heeft. Het is de vader van referenten die het ouderlijk gezag over hen heeft en daarbij is ook de moeder van referenten nog in hun leven aanwezig. Bij deze stand van zaken kan eiseres op grond van het beleid niet als ouder van referenten worden aangemerkt.
10. Omdat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij de biologische of juridisch ouder is van referenten en er geen afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referenten bestaat, wordt niet voldaan aan de cumulatieve voorwaarden die in onderdeel B10/2.5 van de Vc zijn opgenomen. Om die reden(en) mocht verweerder de aanvraag van eiseres afwijzen.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoten
1.Zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
3.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
4.Zie de b-grond van B10/2.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
5.Zie de d-grond van B10/2.5.1 Vc.
6.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3344.
7.IB 2025/39 Cumulatie Chavez-voorwaarden.
8.Arrest van het Hof van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354, overweging 71-72.