In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 17 december 2025 wordt het beroep van een Eritrese vreemdeling behandeld die een aanvraag om asiel heeft ingediend. Eiser heeft op 11 juni 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 16 augustus 2025 heeft hij beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank oordeelt dat de minister de aanvraag op 24 oktober 2025 heeft afgewezen als ongegrond, omdat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig zijn bevonden. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd voor zijn claims en zijn verklaringen zijn tegenstrijdig. De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard, omdat de wettelijke beslistermijn is overschreden, maar heeft eiser wel in de proceskosten veroordeeld. Het beroep tegen het bestreden besluit is eveneens niet-ontvankelijk verklaard, omdat de rechtbank oordeelt dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het medisch advies en de mentale gesteldheid van eiser. De rechtbank concludeert dat de aanvraag terecht is afgewezen en dat eiser geen recht heeft op een verblijfsvergunning asiel.