Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit Afghanistan, eiser
de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft verzocht om overbrenging van hem en zijn gezin vanuit Afghanistan naar Nederland op grond van de Tolkenregeling, stellende dat hij van 2007 tot 2017 als bewaker voor EUPOL heeft gewerkt. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen omdat eiser niet heeft onderbouwd dat hij werkzaamheden heeft verricht voor een Nederlandse EUPOL-functionaris, een vereiste voor overbrenging.
Eiser betoogt dat de Tolkenregeling niet vereist dat men exclusief voor een Nederlandse functionaris moet hebben gewerkt en dat zijn werkzaamheden ook ten goede zijn gekomen aan Nederlandse functionarissen. Hij overlegt een foto met een Nederlandse EUPOL-functionaris en stelt dat hij persoonlijk gevaar loopt vanwege zijn werkzaamheden. Tevens beroept hij zich op het gelijkheidsbeginsel en een hoorplicht.
De rechtbank oordeelt dat het niet vereist is exclusief voor een Nederlandse functionaris te hebben gewerkt, maar wel dat er sprake moet zijn van werkzaamheden voor een Nederlandse functionaris voor een substantiële periode. Dit is niet aangetoond. De foto en het feit dat een deel van de EUPOL-functionarissen Nederlands was, volstaan niet. Het gelijkheidsbeginsel en de hoorplicht worden verworpen. De rechtbank concludeert dat het buitenwettelijk begunstigend beleid van de Tolkenregeling niet onredelijk is toegepast en verklaart het beroep ongegrond.
De rechtbank bevestigt dat de beslissingsruimte van verweerder groot is en dat het beleid zorgvuldig is toegepast. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een andere uitkomst rechtvaardigen. Het beroep wordt afgewezen en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om overbrenging naar Nederland wordt ongegrond verklaard.