ECLI:NL:RBDHA:2025:27159

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
SGR AWB 25/2357
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek overbrenging naar Nederland op grond van Tolkenregeling

Eiser heeft verzocht om overbrenging van hem en zijn gezin vanuit Afghanistan naar Nederland op grond van de Tolkenregeling, stellende dat hij van 2007 tot 2017 als bewaker voor EUPOL heeft gewerkt. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen omdat eiser niet heeft onderbouwd dat hij werkzaamheden heeft verricht voor een Nederlandse EUPOL-functionaris, een vereiste voor overbrenging.

Eiser betoogt dat de Tolkenregeling niet vereist dat men exclusief voor een Nederlandse functionaris moet hebben gewerkt en dat zijn werkzaamheden ook ten goede zijn gekomen aan Nederlandse functionarissen. Hij overlegt een foto met een Nederlandse EUPOL-functionaris en stelt dat hij persoonlijk gevaar loopt vanwege zijn werkzaamheden. Tevens beroept hij zich op het gelijkheidsbeginsel en een hoorplicht.

De rechtbank oordeelt dat het niet vereist is exclusief voor een Nederlandse functionaris te hebben gewerkt, maar wel dat er sprake moet zijn van werkzaamheden voor een Nederlandse functionaris voor een substantiële periode. Dit is niet aangetoond. De foto en het feit dat een deel van de EUPOL-functionarissen Nederlands was, volstaan niet. Het gelijkheidsbeginsel en de hoorplicht worden verworpen. De rechtbank concludeert dat het buitenwettelijk begunstigend beleid van de Tolkenregeling niet onredelijk is toegepast en verklaart het beroep ongegrond.

De rechtbank bevestigt dat de beslissingsruimte van verweerder groot is en dat het beleid zorgvuldig is toegepast. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een andere uitkomst rechtvaardigen. Het beroep wordt afgewezen en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om overbrenging naar Nederland wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR AWB 25/2357

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit Afghanistan, eiser

(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en

de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. M. van Asperen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om overbrenging van hem en zijn gezin naar Nederland.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 april 2025 is verweerder bij die afwijzing gebleven.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via telefoonverbinding), zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder (bijgestaan door mr. M.S. Schutter). Als tolk is verschenen W.M. Mamik.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Bij e-mailbericht van 1 maart 2024 heeft eiser zich gewend tot het ministerie van Defensie om, samen met zijn gezin, overgebracht te worden naar Nederland op grond van de Tolkenregeling [1] . Eiser stelt in de periode van 2007 tot 2017 als bewaker voor EUPOL [2] te hebben gewerkt. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de vereisten voor overbrenging naar Nederland zoals is afgesproken in de Tolkenregeling. Specifiek werpt verweerder hem tegen dat hij niet heeft onderbouwd dat hij werkzaamheden heeft verricht voor een Nederlandse functionaris van EUPOL.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. Eiser vindt allereerst dat uit de Tolkenregeling niet volgt dat een verzoeker exclusief voor een Nederlandse functionaris gewerkt moet hebben. Daarbij was het voor EUPOL-medewerkers feitelijk ook niet mogelijk om exclusief voor een Nederlandse functionaris te werken, nu op het hoofdkwartier vele delegaties uit diverse landen werkzaam waren. Deze eis maakt de Tolkenregeling voor EUPOL-medewerkers zinloos en onevenredig. Alleen van belang is of de werkzaamheden van eiser ten goede zijn gekomen aan Nederland en/of Nederlandse functionarissen, en daar is sprake van, mede omdat ongeveer 20% van de EUPOL-functionarissen Nederlanders waren en eiser naast het bewaken van functionarissen ook hun bezittingen bewaakte. Eiser heeft in zijn aanvullende gronden een foto overgelegd waarop hij samen met [naam], een Nederlandse EUPOL-functionaris met wie hij samengewerkt zou hebben, te zien is. Verder stelt eiser dat hij primair gezien moet worden als medewerker met hoog profiel werkzaamheden. Subsidiair is er ten onrechte geen individuele beoordeling gemaakt of hij persoonlijk gevaar loopt. Eiser loopt vanwege zijn werkzaamheden gevaar in Afghanistan, en daarvoor is niet nodig dat hij publiekelijk zichtbaar was tijdens zijn werk. Verder beroept eiser zich op het gelijkheidsbeginsel en stelt hij dat ook na de eerste evacuaties er nog EUPOL-medewerkers zijn overgebracht. Tot slot vindt eiser dat verweerder verplicht was hem te horen, nu verweerder in deze zaak veel beleidsruimte heeft. [3]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
5. De Tolkenregeling komt voort uit een set werkafspraken uit 2014 tussen de ministeries van Defensie, Buitenlandse Zaken en Justitie en Veiligheid (voorheen: Veiligheid en Justitie). Met die werkafspraken is uitvoering gegeven aan het kabinetsstandpunt dat lokale medewerkers die voor een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht en als gevolg daarvan gevaar lopen, op steun kunnen rekenen. Hoewel de Tolkenregeling geen specifieke wettelijke grondslag kent, kwalificeren beslissingen die aan de hand daarvan worden genomen wel als besluiten in de zin van het bestuursrecht. [4] Het gaat bij de Tolkenregeling om buitenwettelijk begunstigend beleid. [5] De bestuursrechter toetst buitenwettelijk beleid aan het evenredigheidsbeginsel als de betrokkene zich daarop beroept. Omdat de beslissingsruimte van het bestuursorgaan bij dit type beleid groot is, leidt dit in beginsel tot een terughoudende toets. [6]
5.1.
Verweerder heeft onder verwijzing naar verschillende Kamerstukken aangegeven dat er een onderscheid kan worden gemaakt tussen drie groepen die in beginsel onder het beschermingsbereik van de Tolkenregeling vallen. [7] De voor dit beroep relevante groep betreft lokale medewerkers (anders dan tolken) die aannemelijk kunnen maken een substantiële periode voor een Nederlandse missie of functionaris te hebben gewerkt en daardoor vandaag de dag persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. [8] Dit zijn cumulatieve vereisten. Om na te gaan wie bescherming nodig hebben, is de aard van de werkzaamheden van belang. Deze moeten zodanig zijn dat de persoon in kwestie regelmatig actief door Nederlandse militairen of Nederlandse EUPOL-functionarissen in posities is gebracht waarin hij of zij extra zichtbaar was en vereenzelvigd werd met de Nederlandse missie. Hierbij kan worden gedacht aan genderspecialisten. Het kabinet heeft vanwege de veiligheidssituatie in Afghanistan destijds aangegeven deze aanvragen ruimhartig te bezien. [9] Deze mededeling van het kabinet is gedaan op het moment dat de evacuaties plaatsvonden. Er is toen inderdaad ruimhartig(er) beslist, maar daarna is de Tolkenregeling weer toegepast zoals deze altijd werd toegepast. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat er hoe dan ook zorgvuldig moet worden getoetst aan de Tolkenregeling.
5.2.
Eiser heeft van 2007 tot 2017 als Afghaanse politiefunctionaris beveiligingswerkzaamheden uitgevoerd voor EUPOL in Kabul. De rechtbank overweegt allereerst dat, anders dan eiser stelt, het geen vereiste is dat iemand exclusief voor een Nederlandse functionaris moet hebben gewerkt. Wel moet er sprake zijn van werkzaamheden voor een Nederlandse EUPOL-functionaris voor een substantiële periode. Daarvan is in onderhavige zaak niet gebleken. Eiser heeft namelijk niet specifiek voor een Nederlandse functionaris van EUPOL gewerkt. De overgelegde foto waarop eiser te zien zou zijn met onder andere een Nederlandse functionaris maakt het voorgaande niet anders. Dat geldt ook voor eisers standpunt dat een groot deel van de EUPOL-functionarissen Nederlanders waren. De hoogste bestuursrechter heeft namelijk overwogen dat het niet voldoende is dat de werkzaamheden ten goede zijn gekomen aan Nederlanders die voor EUPOL hebben gewerkt. [10]
5.3.
Nu uit het voorgaande volgt dat eiser geen werkzaamheden heeft verricht voor een bepaalde Nederlandse EUPOL-functionaris, heeft verweerder alleen al op grond daarvan kunnen concluderen dat eiser niet valt onder de Tolkenregeling. Verweerder mocht het verzoek om overbrenging dan ook afwijzen. De vraag of eiser op dit moment gevaar loopt, hoeft gelet op de cumulatieve vereisten die gelden geen bespreking.
5.4.
Zoals hiervoor is overwogen, gaat het bij de Tolkenregeling om buitenwettelijk begunstigend beleid. Diegenen die daarbuiten vallen wordt niets onthouden waar zij anders wel recht op zouden hebben. Het beleid is dan ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. [11] Daarbij is niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die maken dat het beleid in dit concrete geval zodanig onevenredig uitpakt dat verweerder de komst van eiser naar Nederland alsnog had moeten faciliteren
.
6. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder worden gevolgd in het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver gaat dat ten aanzien van feitelijke beslissingen die in de eerste hectische evacuatiefase zijn genomen, na de evacuatiefase nog een beroep zou kunnen worden gedaan in het kader van het gelijkheidsbeginsel. Nu de context niet gelijk is, is daarmee ook geen sprake van gelijke gevallen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
7. De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht in de bezwaarfase niet is geschonden. Verweerder heeft op basis van het bezwaarschrift buiten redelijke twijfel kunnen concluderen dat eiser niet voldoet aan de criteria van de Tolkenregeling. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het verzoek van eiser om overbrenging van hem en zijn gezin naar Nederland op grond van de Tolkenregeling op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Werkafspraken tolken 2014,
3.Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
4.Zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1500.
5.De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de Afdeling over de Speciale Voorziening die is getroffen in de Kamerbrief van 11 oktober 2021, in haar uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718.
6.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700, onder 4.9.2.1 en 4.9.2.2.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 27 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5226.
8.Zie het antwoord op vraag 11, van
9.Zie het antwoord op vragen 11 en 12, van
10.Uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3411.
11.De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de Afdeling over de Speciale Voorziening die is getroffen in de Kamerbrief van 11 oktober 2021, in haar uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718.