ECLI:NL:RBDHA:2025:27160

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
SGR AWB 25/1430
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 Awbevenredigheidsbeginsel
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek overbrenging naar Nederland op grond van Tolkenregeling

Eiser, die van 2008 tot 2009 werkzaamheden verrichtte voor een Afghaans bedrijf dat diensten verleende aan de Nederlandse militaire missie, verzocht om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling. Verweerder wees dit verzoek af omdat eiser niet als lokale medewerker wordt aangemerkt en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij momenteel bedreigd wordt vanwege zijn werkzaamheden.

Eiser betoogde dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid, dat hij wel als lokale medewerker moet worden gezien en dat hij als hoog profiel medewerker bescherming verdient vanwege het gevaar van de Taliban. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van het gehoorverslag bij het besluit niet tot onzorgvuldigheid leidt en dat eiser niet voldoet aan de cumulatieve vereisten van de Tolkenregeling.

De rechtbank stelde vast dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij concreet gevaar loopt vanwege zijn werkzaamheden en dat het beleid zorgvuldig is toegepast. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een andere uitkomst rechtvaardigen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag tot overbrenging naar Nederland wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR AWB 25/1430

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit Afghanistan, eiser

(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. M. van Asperen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om overbrenging van hem naar Nederland.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 23 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 januari 2025 is verweerder bij die afwijzing gebleven.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via telefoonverbinding), zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder (bijgestaan door mr. A.J.M. Zwiep). Als tolk is verschenen W.M. Mamik.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Bij e-mailberichten van 28 juli, 11 augustus, 2 november en 22 november 2022 heeft eiser zich gewend tot verweerder en het ministerie van Buitenlandse Zaken om overgebracht te worden naar Nederland op grond van de Tolkenregeling [1] . Eiser stelt van 2008 tot en met 2009 te hebben gewerkt als
site safety managerbij het bedrijf RMCC. Dit bedrijf verrichtte constructiewerkzaamheden en verzorgde het vervoer ten behoeve van de Nederlandse militaire missie in [plaats], Afghanistan. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan alle vereisten voor overbrenging naar Nederland zoals die zijn opgenomen in de Tolkenregeling. Specifiek werpt verweerder eiser tegen dat hij niet kan worden aangemerkt als lokale medewerker, nu hij werkte voor een Afghaans bedrijf en niet is ingezet ten behoeve van de Nederlandse militaire missie. Verder heeft eiser volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij momenteel bedreigd wordt in Afghanistan als gevolg van zijn werkzaamheden in 2008 en 2009 voor RMCC.

Wat vindt eiser in beroep?

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. Allereerst vindt eiser dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid, nu het wettelijk kader en het gehoorverslag niet met het bestreden besluit zijn meegestuurd. Eiser vindt dat hij wel als lokale medewerker moet worden gezien onder de Tolkenregeling. Uit de werkafspraken volgt niet dat medewerkers niet via een tussenpersoon werkzaam kunnen zijn om als lokale medewerker te kunnen worden gezien. Bovendien is zijn werk ten goede gekomen van de Nederlandse militaire missie. Verder vindt eiser dat hij moet worden gezien als een hoog profiel medewerker, nu de Taliban zijn werkzaamheden zien als onderdeel van de missie. Subsidiair stelt eiser dat niet alleen hoog profiel medewerkers, maar ook andere medewerkers aan de voorwaarden voldoen als zij aannemelijk maken dat ze vanwege hun werkzaamheden persoonlijk risico lopen. Verweerder heeft ten onrechte geen individuele beoordeling gemaakt. Eiser loopt gevaar van de zijde van de Taliban. Aannemelijk is dat de Taliban nog steeds actief op zoek zijn naar mensen die hebben samengewerkt met de buitenlandse troepen. De tegenwerping dat eiser geen causaal verband kan aantonen tussen de bedreigingen van de Taliban en zijn werkzaamheden omdat hij voor meerdere landen heeft gewerkt, is onevenredig.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
5. Voor zover eiser stelt dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid, overweegt de rechtbank dat het niet eerder meesturen van het verslag van de hoorzitting met het bestreden besluit niet maakt dat alleen daarom sprake is van een onzorgvuldig genomen besluit. Zoals verweerder heeft uitgelegd is dit abusievelijk niet meegestuurd en heeft verweerder deze later alsnog toegezonden. Verweerder heeft hetgeen op de hoorzitting is besproken betrokken bij de besluitvorming. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser doet verder een beroep op de Tolkenregeling. De Tolkenregeling komt voort uit een set werkafspraken uit 2014 tussen de ministeries van Defensie, Buitenlandse Zaken en Justitie en Veiligheid (voorheen: Veiligheid en Justitie). Met die werkafspraken is uitvoering gegeven aan het kabinetsstandpunt dat lokale medewerkers die voor een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht en als gevolg daarvan gevaar lopen, op steun kunnen rekenen. Hoewel de Tolkenregeling geen specifieke wettelijke grondslag kent, kwalificeren beslissingen die aan de hand daarvan worden genomen wel als besluiten in de zin van het bestuursrecht. [2] Het gaat bij de Tolkenregeling om buitenwettelijk begunstigend beleid. [3] De bestuursrechter toetst buitenwettelijk beleid aan het evenredigheidsbeginsel als de betrokkene zich daarop beroept. Omdat de beslissingsruimte van het bestuursorgaan bij dit type beleid groot is, leidt dit in beginsel tot een terughoudende toets. [4]
6.1.
Verweerder heeft onder verwijzing naar verschillende Kamerstukken aangegeven dat er een onderscheid kan worden gemaakt tussen drie groepen die in beginsel onder het beschermingsbereik van de Tolkenregeling vallen. [5] De voor dit beroep relevante groep betreft lokale medewerkers (anders dan tolken) die aannemelijk kunnen maken een substantiële periode voor een Nederlandse missie of functionaris te hebben gewerkt en daardoor vandaag de dag persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. [6] Dit zijn cumulatieve vereisten. Om na te gaan wie bescherming nodig hebben, is de aard van de werkzaamheden van belang. Deze moeten zodanig zijn dat de persoon in kwestie regelmatig actief door Nederlandse militairen of Nederlandse EUPOL-functionarissen in posities is gebracht waarin hij of zij extra zichtbaar was en vereenzelvigd werd met de Nederlandse missie. Hierbij kan worden gedacht aan genderspecialisten. Het kabinet heeft vanwege de veiligheidssituatie in Afghanistan destijds aangegeven deze aanvragen ruimhartig te bezien. [7] Deze mededeling van het kabinet is gedaan op het moment dat de evacuaties plaatsvonden. Er is toen inderdaad ruimhartig(er) beslist, maar daarna is de Tolkenregeling weer toegepast zoals deze altijd werd toegepast. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat er hoe dan ook zorgvuldig moet worden getoetst aan de Tolkenregeling.
6.2.
Eiser heeft van 2008 tot en met 2009 werkzaamheden verricht voor RMCC. Verweerder heeft kunnen aannemen dat de aard van die werkzaamheden eiser onvoldoende onderscheidt van een grotere groep mensen die werkzaamheden verrichtten en diensten verleenden ten behoeve van de Nederlandse missie. De genoemde werkzaamheden hebben eiser niet in een extra zichtbare en kwetsbare positie gebracht waardoor hij vereenzelvigd is met de Nederlandse missie. Daar komt bij – als eiser wel als lokale medewerker gezien moet worden zoals bedoeld in de Tolkenregeling – eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van deze werkzaamheden nu concreet gevaar loopt. Hij heeft niet uitgelegd of onderbouwd waaruit de dreiging, waardoor hij zich genoodzaakt ziet om onder te duiken, concreet bestaat. De enkele stelling dat het aannemelijk is dat de Taliban nog steeds op zoek is naar personen zoals eiser, is onvoldoende. Daar komt bij dat sinds de werkzaamheden voor de RMCC vele jaren zijn verstreken en dat, zoals verweerder heeft gesteld onder verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht Afghanistan, [8] eventueel gevaar in Afghanistan veel oorzaken kan hebben. Verweerder heeft in dat kader ook kunnen betrekken dat eiser werkzaamheden heeft verricht voor meerdere andere buitenlandse troepen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder niet zou mogen vasthouden aan de bewijslastverdeling. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser zich in een moeilijke bewijspositie bevindt, kan verweerder nog steeds van eiser verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij persoonlijk gevaar loopt vanwege zijn gestelde werkzaamheden.
6.3.
Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die maken dat het beleid in dit concrete geval zodanig onevenredig uitpakt dat verweerder de komst van eiser naar Nederland alsnog had moeten faciliteren. Verweerder heeft het verzoek om overbrenging daarom kunnen afwijzen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het verzoek van eiser om overbrenging van hem naar Nederland op grond van de Tolkenregeling op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Werkafspraken tolken 2014,
2.Zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1500.
3.De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de Afdeling over de Speciale Voorziening die is getroffen in de Kamerbrief van 11 oktober 2021, in haar uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718.
4.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700, onder 4.9.2.1 en 4.9.2.2.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 27 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5226.
6.Zie het antwoord op vraag 11, van
7.Zie het antwoord op vragen 11 en 12, van
8.Algemeen Ambtsbericht Afghanistan van 30 juni 2023.