ECLI:NL:RBDHA:2025:27161

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
SGR AWB 25/2930
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek overbrenging tolk uit Afghanistan op grond van Tolkenregeling

Eiser, een voormalige tolk voor de EU-missie EUPOL in Afghanistan, verzocht om overbrenging naar Nederland samen met zijn gezin op grond van de Tolkenregeling. Deze regeling biedt bescherming aan lokale medewerkers die voor Nederlandse militaire missies hebben gewerkt en daardoor gevaar lopen. Verweerder wees het verzoek af omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij werkzaamheden had verricht voor een Nederlandse functionaris van EUPOL.

Eiser voerde aan dat hij meer dan drie maanden voor EUPOL had gewerkt en dat het niet vereist is exclusief voor een Nederlandse functionaris te hebben gewerkt. Ook stelde hij dat hij als hoog profiel medewerker moest worden beschouwd en dat het gelijkheidsbeginsel hem bescherming zou moeten bieden. Daarnaast stelde hij dat hij gehoord had moeten worden vanwege de beleidsruimte van verweerder.

De rechtbank oordeelde dat de Tolkenregeling buitenwettelijk begunstigend beleid betreft en dat verweerder terughoudend mag toetsen. Omdat eiser niet had aangetoond dat hij voor een Nederlandse functionaris had gewerkt, viel hij niet onder de regeling. Het gelijkheidsbeginsel bood geen grond voor bescherming na de evacuatiefase en de hoorplicht was niet geschonden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en verweerder mocht het verzoek afwijzen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om overbrenging op grond van de Tolkenregeling is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR AWB 25/2930

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit Afghanistan, eiser

(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en

de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. M. van Asperen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om overbrenging van hem en zijn gezin naar Nederland.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 maart 2025 is verweerder bij die afwijzing gebleven.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via telefoonverbinding), zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder (bijgestaan door mr. M.S. Schutter). Als tolk is verschenen W.M. Mamik.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Bij e-mailbericht van 18 februari 2024 heeft eiser zich gewend tot de mailbox van het crisisteam Afghanistan met het verzoek om, samen met zijn gezin, overgebracht te worden naar Nederland op grond van de Tolkenregeling [1] . Eiser stelt in 2010 als tolk voor EUPOL [2] te hebben gewerkt. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan alle vereisten voor overbrenging naar Nederland zoals die zijn opgenomen in de Tolkenregeling. Specifiek werpt verweerder hem tegen dat hij niet heeft onderbouwd dat hij deze werkzaamheden heeft verricht voor een Nederlandse functionaris van EUPOL.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. Met verwijzing naar Kamerstukken stelt eiser dat hij, nu hij meer dan 3 maanden voor EUPOL en daarmee voor Nederland heeft gewerkt, voldoet aan de voorwaarden van de Tolkenregeling. De eis dat iemand exclusief voor een specifieke Nederlandse functionaris gewerkt moet hebben, volgt niet uit de regeling. Alleen van belang is of de werkzaamheden van eiser ten goede zijn gekomen aan Nederland en/of Nederlandse functionarissen, en daar is sprake van, mede omdat ongeveer 20% van de EUPOL-functionarissen Nederlanders waren. Mocht wel aan deze eis worden vastgehouden, dan stelt eiser dat verweerder in deze zaak ten onrechte niet heeft onderzocht of eiser heeft gewerkt voor een Nederlandse functionaris. Eiser loopt als tolk gevaar van de zijde van de Taliban. Subsidiair stelt eiser dat hij gezien moet worden als hoog profiel medewerker. Verder beroept eiser zich op het gelijkheidsbeginsel en stelt hij dat er ook na de eerste evacuaties nog EUPOL-medewerkers zijn overgebracht, waarvan duidelijk is dat zij nooit specifiek voor een Nederlandse functionaris gewerkt kunnen hebben. Tot slot vindt eiser dat verweerder verplicht was hem te horen, nu verweerder in deze zaak veel beleidsruimte heeft. [3]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
5. De Tolkenregeling komt voort uit een set werkafspraken uit 2014 tussen de ministeries van Defensie, Buitenlandse Zaken en Justitie en Veiligheid (voorheen: Veiligheid en Justitie). Met die werkafspraken is uitvoering gegeven aan het kabinetsstandpunt dat lokale medewerkers die voor een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht en als gevolg daarvan gevaar lopen, op steun kunnen rekenen. Hoewel de Tolkenregeling geen specifieke wettelijke grondslag kent, kwalificeren beslissingen die aan de hand daarvan worden genomen wel als besluiten in de zin van het bestuursrecht. [4] Het gaat bij de Tolkenregeling om buitenwettelijk begunstigend beleid. [5] De bestuursrechter toetst buitenwettelijk beleid aan het evenredigheidsbeginsel als de betrokkene zich daarop beroept. Omdat de beslissingsruimte van het bestuursorgaan bij dit type beleid groot is, leidt dit in beginsel tot een terughoudende toets. [6]
5.1.
Verweerder heeft onder verwijzing naar verschillende Kamerstukken aangegeven dat er een onderscheid kan worden gemaakt tussen drie groepen die in beginsel onder het beschermingsbereik van de Tolkenregeling vallen. [7] De voor dit beroep relevante groep betreft lokale medewerkers (anders dan tolken) die aannemelijk kunnen maken een substantiële periode voor een Nederlandse missie of functionaris te hebben gewerkt en daardoor vandaag de dag persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. [8] Dit zijn cumulatieve vereisten. Om na te gaan wie bescherming nodig hebben, is de aard van de werkzaamheden van belang. Deze moeten zodanig zijn dat de persoon in kwestie regelmatig actief door Nederlandse militairen of Nederlandse EUPOL-functionarissen in posities is gebracht waarin hij of zij extra zichtbaar was en vereenzelvigd werd met de Nederlandse missie. Hierbij kan worden gedacht aan genderspecialisten. Het kabinet heeft vanwege de veiligheidssituatie in Afghanistan destijds aangegeven deze aanvragen ruimhartig te bezien. [9] Deze mededeling van het kabinet is gedaan op het moment dat de evacuaties plaatsvonden. Er is toen inderdaad ruimhartig(er) beslist, maar daarna is de Tolkenregeling weer toegepast zoals deze altijd werd toegepast. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat er hoe dan ook zorgvuldig moet worden getoetst aan de Tolkenregeling.
5.2.
Eiser heeft in 2010 als tolk gewerkt voor EUPOL. Niet is gebleken dat eiser deze werkzaamheden heeft verricht voor een Nederlandse EUPOL-functionaris. Hij verrichte zijn werkzaamheden ten behoeve van de internationale EU-missie als geheel. Daarbij geldt dat het geen vereiste is dat iemand exclusief voor een Nederlandse functionaris moet hebben gewerkt. Gelet daarop was verweerder dan ook niet gehouden om (verder) te onderzoeken of verweerder voor een Nederlandse functionaris heeft gewerkt. Dat een groot deel van de EUPOL-functionarissen Nederlanders waren maakt het voorgaande niet anders. De hoogste bestuursrechter heeft namelijk overwogen dat het niet voldoende is dat de werkzaamheden ten goede zijn gekomen aan Nederlanders die voor EUPOL hebben gewerkt. [10]
5.3.
Nu uit het voorgaande volgt dat eiser geen werkzaamheden heeft verricht voor een Nederlandse EUPOL-functionaris, heeft verweerder alleen al op grond daarvan kunnen concluderen dat eiser niet valt onder de Tolkenregeling. Verweerder mocht het verzoek om overbrenging dan ook afwijzen. De vraag of eiser op dit moment gevaar loopt, hoeft gelet op de cumulatieve vereisten die gelden, geen bespreking.
5.4.
Zoals hiervoor is overwogen, gaat het bij de Tolkenregeling om buitenwettelijk begunstigend beleid. Diegenen die daarbuiten vallen wordt niets onthouden waar zij anders wel recht op zouden hebben. Het beleid is dan ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. [11] Daarbij is niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die maken dat het beleid in dit concrete geval zodanig onevenredig uitpakt dat verweerder de komst van eiser naar Nederland alsnog had moeten faciliteren
.
6. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder worden gevolgd in het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver gaat dat ten aanzien van feitelijke beslissingen die in de eerste hectische evacuatiefase zijn genomen, na de evacuatiefase nog een beroep zou kunnen worden gedaan in het kader van het gelijkheidsbeginsel. Nu de context niet gelijk is, is daarmee ook geen sprake van gelijke gevallen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
7. De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht in de bezwaarfase niet is geschonden. Verweerder heeft op basis van het bezwaarschrift buiten redelijke twijfel kunnen concluderen dat eiser niet voldoet aan de criteria van de Tolkenregeling. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het verzoek van eiser om overbrenging van hem en zijn gezin naar Nederland op grond van de Tolkenregeling op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Werkafspraken tolken 2014,
3.Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
4.Zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1500.
5.De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de Afdeling over de Speciale Voorziening die is getroffen in de Kamerbrief van 11 oktober 2021, in haar uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718.
6.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700, onder 4.9.2.1 en 4.9.2.2.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 27 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5226.
8.Zie het antwoord op vraag 11, van
9.Zie het antwoord op vragen 11 en 12, van
10.Uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3411.
11.De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de Afdeling over de Speciale Voorziening die is getroffen in de Kamerbrief van 11 oktober 2021, in haar uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718.