ECLI:NL:RBDHA:2025:27164

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
SGR AWB 25/3556
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 WjsgArt. 35 WjsgArt. 81 Besluit personenvervoer 2000Art. 82 Besluit personenvervoer 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering afgifte Verklaring Omtrent het Gedrag voor chauffeurskaart bevestigd

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) om als taxichauffeur te kunnen werken. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft deze aanvraag geweigerd op grond van strafbare feiten die binnen de terugkijktermijn van vijf jaar in het Justitieel Documentatiesysteem zijn geregistreerd, waaronder opiumdelicten uit 2013-2017 en recente veroordelingen.

Eiser voerde aan dat hij sinds september 2023 geen contact meer had met politie, dat hij zijn leven verbeterd heeft en dat hij een cursus bij het CBR heeft gevolgd om zijn gedrag te verbeteren. Hij stelde dat de kans op herhaling klein is en dat hij met zijn inkomen voor zijn gezin wil zorgen.

De rechtbank oordeelt dat verweerder beoordelingsruimte heeft bij de afgifte van een VOG en dat het belang van de samenleving bij beperking van risico's zwaarder weegt dan het belang van eiser. De recente veroordelingen en de lopende proeftijd tot november 2026 zijn zwaarwegend. De positieve ontwikkelingen van eiser doen hieraan onvoldoende af.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van de VOG. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak is gedaan door rechter W.A. Timmer op 30 december 2025.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de weigering van de VOG vanwege recente strafbare feiten en lopende proeftijd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR AWB 25/3556

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. L. van der Schee),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Egers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van de afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag voor een VOG met het besluit van 8 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

De aanvraag
2. Eiser wil taxichauffeur worden en moet daarom een chauffeurskaart hebben. [1] Daarvoor heeft eiser een VOG nodig. [2] Eiser heeft op 20 november 2024 een aanvraag gedaan voor de afgifte van een VOG bij verweerder.
Het (bestreden) besluit
3. Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat in het Justitieel Documentatiesysteem (JDS) binnen de terugkijktermijn van vijf jaar de volgende relevante justitiële gegevens zijn geregistreerd:
veroordeling op 22 oktober 2024 wegens weigeren bloedonderzoek tot een geldboete van € 750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden waarvan 267 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, waarbij de proeftijd van kracht is tot 5 november 2026;
veroordeling op 11 juli 2024 wegens rijden gedurende een rijontzegging tot een gevangenisstraf van 2 weken, waarbij eiser tegen deze uitspraak op 15 juli 2024 in hoger beroep is gegaan;
strafbeschikking van 28 maart 2024 waarbij een geldboete is opgelegd van € 850,- wegens rijden onder invloed en
veroordeling op 21 mei 2021 wegens overschrijding van de maximumsnelheid tot een geldboete van € 670,-, subsidiair 13 dagen hechtenis.
Omdat verweerder binnen de terugkijktermijn strafbare feiten heeft gevonden, heeft hij ook naar strafbare feiten gekeken buiten de terugkeertermijn. Verweerder heeft daarbij in de periode 2013 tot en met 2017 opiumdelicten aangetroffen. Ook heeft verweerder gekeken naar de openstaande zaak in hoger beroep. Deze zaak is nog niet behandeld. Gelet op het voorgaande vindt verweerder – kort gezegd – dat bij het geven van een VOG het risico voor de samenleving te groot is. Verweerder heeft daarom de aanvraag voor de afgifte van een VOG afgewezen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. Allereerst stelt eiser dat de strafbare feiten van langere tijd geleden zijn dan de veroordelingen die in het JDS staan. Eisers is namelijk sinds september 2023 niet meer in aanraking gekomen met de politie. Verder heeft eiser in het verleden verdovende middelen gebruikt, maar dat was ter verlichting van de pijn en de zorgen die hij had over de revalidatie na zijn operatie. Nu heeft eiser zijn leven verbeterd en heeft hij een gezin. Hij wil hiervoor zorgen met zijn eigen inkomen, zonder afhankelijk te zijn van een uitkering. Verder is de kans op herhaling klein. Eiser is tot inzicht gekomen door de door hem gevolgde cursus bij het CBR en beseft zich hoe gevaarlijk zijn gedrag voor zichzelf en andere weggebruikers had kunnen zijn. Dat eiser sinds september 2023 niet meer in contact is geweest met politie laat duidelijk een positieve ontwikkeling zien.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag voor de afgifte van een VOG op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Het juridisch kader
6. Artikel 28 van Pro de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wsjg) definieert een VOG als een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.
6.1.
Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wjsg weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan. Verweerder komt beoordelingsruimte toe bij de vraag of de VOG moet worden geweigerd. [3]
6.2.
Verweerder heeft ter invulling van die beoordelingsruimte de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024 (hierna: de Beleidsregels) vastgesteld. Indien strafbare feiten worden aangetroffen in de justitiële documentatie beoordeelt verweerder eerst of herhaling van de aangetroffen strafbare feiten, een belemmering vormt voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor een VOG is aangevraagd. [4] Ook wel het objectieve criterium genoemd. Voor de vaststelling of er een risico is, zijn er verschillende risicogroepen met bijbehorende screeningsprofielen gedefinieerd die zijn gepubliceerd op de website van Justis. [5] Voor VOG-aanvragen ten behoeve van het verkrijgen van een chauffeurskaart bij het Kiwa bestaat een apart screeningsprofiel dat ook is gepubliceerd op de website van Justis. Hieruit volgen de risico’s en de bij de beoordeling relevant geachte strafbare feiten of gedragingen.
6.3.
Indien aan het objectieve criterium wordt voldaan, beoordeelt verweerder of er sprake is van omstandigheden die ertoe leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Dit is het geval als het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het risico dat door middel van het objectieve criterium is vastgesteld. Het zogeheten subjectieve criterium. [6] Als hiervan sprake is, wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. Bij de beoordeling van het subjectieve criterium wordt in ieder geval rekening gehouden met de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. Bij de afdoening van de strafzaak is in het algemeen al rekening gehouden met de ernst van het strafbare feit, de maatschappelijke onrust die het strafbare feit teweeg heeft gebracht en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.
Het geschil
7. Tussen partijen is niet in geschil dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. De vraag die nu bij de rechtbank voorligt is of het belang dat eiser heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het risico dat door middel van het objectieve criterium is vastgesteld.
Het subjectieve criterium
8. Het uitgangspunt is dat verweerder in het kader van de afgifte van een VOG beoordelingsruimte heeft. Dat betekent dat de rechtbank moet beoordelen of verweerder in redelijkheid de belangenafweging in het nadeel van eisers heeft kunnen laten uitvallen. [7]
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers belang bij toewijzing van de VOG ondergeschikt is aan het belang van de beperking van de risico’s van de samenleving. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser kort geleden is veroordeeld voor de meerdere strafbare feiten en dat deze, gelet op de opgelegde straffen, geen lichte vergrijpen zijn geweest. Ook is van belang dat de proeftijd van een van de gepleegde strafbare feiten nog loopt tot 5 november 2026. Dat eiser zich door de cursus bij het CBR bewust is van zijn gedrag doet aan het voorgaande niet af. Dat eiser is getrouwd en een kind verwacht, is niet van dusdanige relevantie dat verweerder niet in redelijkheid de VOG-aanvraag heeft kunnen afwijzen. De rechtbank begrijpt wel dat deze omstandigheden maken dat hij met zijn eigen inkomen voor zijn gezin wil zorgen, maar dit doet onvoldoende af aan het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving. Daar komt bij dat – zoals verweerder zelf in het bestreden besluit en ter zitting heeft aangegeven – eiser in de toekomst wel een VOG kan krijgen als de situatie veranderd of er als er langere periode voorbij is, of als hij werk wil doen met een ander screeningsprofiel.

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de afgifte voor een VOG heeft mogen weigeren aan eiser. Daarmee is het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 81, derde lid, van het Besluit personenvervoer 2000.
2.Artikel 82 van Pro het Besluit personenvervoer 2000
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 november 2015,
4.Zie paragraaf 3.1.3 van de Beleidsregels.
5.VOF voor werkgevers en organisaties aanvragen, Justis,
6.Zie paragraaf 3.1.4.1. van de Beleidsregels.
7.Zie bijvoorbeeld uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 oktober 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:7405.