Eiser, van Ghanese nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER op basis van zijn relatie met een Britse EU-burger (referente). Eerdere aanvragen werden afgewezen wegens een schijnhuwelijk met als doel het verkrijgen van verblijfsrecht. Na de Brexit toetste verweerder de huidige aanvraag op grond van het Terugtrekkingsakkoord en wees deze opnieuw af, stellende dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren.
Eiser betoogde dat het hier geen herhaalde aanvraag betrof en dat de afwijzing in strijd was met het Unierecht. De rechtbank oordeelde dat het verblijfsrecht rechtstreeks uit het Unierecht voortvloeit en dat een aanvraagprocedure slechts declaratoir is. Artikel 4:6 AwbPro is te beperkt om als afwijzingsgrond te dienen zonder inhoudelijke toetsing van het verblijfsrecht.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER wordt vernietigd.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.6989 (beroep) en NL24.568 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1968, van Ghanese nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. F. Kiliç-Arslan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [naam] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER [1] . Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser niet op grond van artikel 4:6 vanPro de Awb [2] had kunnen afdoen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 november 2023 (het primaire besluit) afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van 22 februari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit [3] . Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [persoon 1] (echtgenote en referente), de gemachtigde van eiser, K.H. Menza als tolk in de taal Twi en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Eiser heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij een relatie heeft met [persoon 1] (referente), van Britse nationaliteit. Referente was voor de Brexit burger van de Europese Unie.
3.2.
Eiser heeft eerder, op 21 oktober 2013, een aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER om te verblijven bij mevrouw [persoon 2] . Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 18 juni 2014. Het gemaakte bezwaar tegen dit besluit is ingetrokken.
3.3.
Eiser is op 23 oktober 2019 in het huwelijk getreden met referente. Vervolgens heeft eiser, op 30 oktober 2019, nogmaals een aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER om te verblijven bij referente. Deze aanvraag is afgewezen en eiser heeft bezwaar gemaakt daartegen. Bij besluit van 1 december 2020 is het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard omdat is geconstateerd dat eiser en referente een relatie zijn aangegaan met als enige doel om het recht van vrij verkeer en verblijf te verkrijgen zoals neergelegd in de Verblijfsrichtlijn [4] (schijnrelatie). Bij uitspraak van
26 mei 2021 heeft de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de hoogste bestuursrechter op 17 maart 2022 bevestigd, zodat het besluit in rechte vaststaat.
3.4.
Omdat referente door Brexit geen EU-burger meer is, heeft verweerder de huidige aanvraag getoetst overeenkomstig artikel 18 enPro 19 van het Terugtrekkingsakkoord [5] . Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat het volgens verweerder gaat om een herhaalde aanvraag en er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova). [6]
Wat vinden partijen?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Volgens hem wordt miskend dat het gaat om een verzoek om toetsing aan het Unierecht. Er is geen sprake van een herhaalde aanvraag waardoor artikel 4:6 vanPro de Awb ook niet aan de orde is. De afwijzing is dan ook in strijd met het Unierecht. Op de zitting heeft eiser nog naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 september 2024 verwezen. [7]
4.1.
Verweerder volgt eiser hierin niet. Volgens verweerder ziet het declaratoir recht op een normale situatie waarbij er sprake is van een oprecht huwelijk tussen een burger van de Unie en de derdelander. Wanneer de aanvraag is afgewezen, omdat niet aan de verblijfsvoorwaarden wordt voldaan, dient bij een nieuwe aanvraag gelet op het declaratoire karakter opnieuw aan de verblijfsvoorwaarden te worden getoetst. Dit gaat niet op in
eisers geval. Immers, nu in rechte vaststaat dat er sprake is van een schijnhuwelijk tussen eiser en zijn referente en dus misbruik van het Unierecht, dient in het kader van artikel 4:6 vanPro de Awb bij een volgende aanvraag sprake te zijn van nova. In eisers geval is hiervan niet gebleken, aldus verweerder.
Het juridisch kader
5. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) dat rechtmatig verblijf op grond van het unierecht van rechtswege ontstaat. Hier is geen overheidsbeslissing voor nodig. De lidstaat kan wel ter vaststelling van dit verblijfsrecht een verblijfskaart verstrekken, maar deze verblijfskaart is slechts declaratoir van aard.
5.1.
Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2016, [8] kan een bestuursorgaan er op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van de aanvraag in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 27 december 2018, [9] moet onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en daarom behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en daarom behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. Uit vaste rechtspraak volgt dat alleen feiten en omstandigheden en bewijsstukken die tot aan de beslissing op bezwaar zijn aangedragen kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 vanPro de Awb.
Heeft verweerder de aanvraag van eiser kunnen afdoen op grond van artikel 4:6 vanPro de Awb?
6. De rechtbank is van oordeel dat de aanvraagprocedure niet ziet op het vaststellen van een verblijfsrecht, maar slechts op het afgeven van een document. Het verblijfsrecht zelf vloeit van rechtswege voort uit het Terugtrekkingsakkoord. Indien de aanvrager stelt dat hij verblijfsrecht heeft op basis van het Unierecht, dan moet het bestuursorgaan de feiten en omstandigheden volledig beoordelen, ook al is de aanvraag eerder afgewezen. Een eerder afgewezen aanvraag omdat er toen geen verblijfsrecht bestond, staat er namelijk niet aan in de weg dat later alsnog een declaratoir verblijfsrecht kan ontstaan en ook is vast te stellen. In zo’n geval is artikel 4:6 vanPro de Awb te beperkt om als afwijzingsgrond te gebruiken. Ook zonder nova kan de situatie zich voordoen dat er op een later moment alsnog een verblijfsrecht is. Het verblijfsrecht als hier aan de orde volgt rechtstreeks uit het Unierecht en moet - als het er is - door de nationale autoriteiten worden erkend los van nationaalrechtelijke bepalingen van procesrecht.
6.1.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat verweerder opnieuw tot de conclusie zou kunnen komen dat er geen verblijfsrecht is. Dat kan echter alleen na een inhoudelijke beoordeling van eisers beroep op het bestaan van dat verblijfsrecht.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit aan de hand van een onjuist toetsingskader is genomen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
7.2.
Omdat de rechtbank nu op het beroep heeft beslist, is er geen reden meer om de verzochte voorlopige voorziening toe te wijzen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.
7.3.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL24.6989,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 22 februari 2024;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter,
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL24.568,
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter,
in alle zaken,
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Het in bezwaar gedane verzoek om een voorlopige voorziening is op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb gelijkgesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep.
4.Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004.
5.Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie