ECLI:NL:RBDHA:2025:27188

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
NL25.41571
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vrijwillig vertrek naar Iran en intrekking verblijfsprocedures

Eiser diende op 3 november 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 28 augustus 2025 af als kennelijk ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, maar verscheen niet op de zitting.

De minister informeerde de rechtbank dat eiser op 19 november 2025 vrijwillig met IOM naar Iran was vertrokken en daarbij een vertrekverklaring had ondertekend waarin hij instemde met het intrekken van lopende verblijfsprocedures en verblijfsvergunningen. De rechtbank stelde vast dat eiser geen procesbelang meer had bij de behandeling van het beroep, gelet op de ondertekende vertrekverklaring en bevestiging van IOM.

De rechtbank oordeelde dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is en behandelde de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter A. Skerka op 10 december 2025.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na vrijwillig vertrek naar Iran.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.41571
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. K.A.W. Boonen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 3 november 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 28 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op 21 november 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De gemachtigde van eiser heeft op 24 november 2025 laten weten dat zij en eiser niet op de zitting zullen verschijnen.
1.3.
Met de brief van 26 november 2025 heeft de minister laten weten dat eiser op 19 november 2025 vrijwillig met IOM is vertrokken naar Iran.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank ziet zich (ambtshalve) voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep.
3. De bijlage bij de brief van de minister van 26 november 2025 bevat een mail van IOM. Daarin is door IOM bevestigd dat eiser is vertrokken naar Iran op 19 november 2025 en dat eiser bij vertrek op [luchthaven] een vertrekverklaring heeft ondertekend, waarmee ook is getekend voor het intrekken van nog lopende verblijfsrechtelijke procedures en/of verblijfsvergunningen. Daarbij zijn een vertrekverklaring van IOM, een vertrekverklaring
van de IND en een laissez-passer gevoegd. De rechtbank heeft op de zitting aan de orde gesteld dat de vertrekverklaring van de IND incompleet lijkt te zijn, omdat daarin een verklaring van eiser dat hij de lopende verblijfsrechtelijke procedures en/of verblijfsvergunningen, en een handtekening van eiser, ontbreekt. De minister heeft toegelicht dat hij contact heeft gehad met IOM en dat volgens hen de informatie zo compleet is. Volgens de minister moet de mail van IOM, waarin staat dat eiser ook heeft getekend voor het intrekken van de nog lopende verblijfsrechtelijke procedures en/of verblijfsvergunning, worden gelezen in samenhang met de andere documenten.
4. De rechtbank volgt de toelichting van de minister. Uit de door eiser ondertekende vertrekverklaring van IOM blijkt dat eiser op 19 november 2025 vanuit Nederland met een financiële bijdrage vrijwillig is vertrokken naar zijn land van herkomst, Iran. IOM heeft bevestigd dat eiser ook heeft ingestemd met het intrekken van de nog lopende verblijfsrechtelijke procedures en/of verblijfsvergunningen. Gesteld noch gebleken is dat eiser in dit geval de vertrekverklaring niet vrijwillig of zonder kennis van inhoud heeft ondertekend. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1 blijkt dat een vreemdeling in dat geval geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep.

Conclusie en gevolgen

5. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
1 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 25 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2930 en 6 december
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.