ECLI:NL:RBDHA:2025:27199

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
AWB 25/509
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 6 EVRMArt. 17 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken beschermenswaardig familie- en gezinsleven

Eiser, een Albanese nationaliteit dragende man, heeft voor de derde keer een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als verblijfsdoel familie en gezin, gericht op verblijf bij zijn vier in Nederland geboren kinderen met de Nederlandse nationaliteit. Eerdere aanvragen in 2017 en 2020 zijn afgewezen en deze afwijzingen zijn in rechte vastgesteld.

De minister van Asiel en Migratie heeft de derde aanvraag afgewezen omdat eiser niet beschikt over een mvv en niet in aanmerking komt voor vrijstelling. Tevens is geoordeeld dat er geen sprake is van een beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, omdat eiser geen feitelijke invulling geeft aan het familieleven met zijn kinderen. De rechtbank bevestigt dat eiser geen nieuwe feiten heeft aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Eiser voerde aan dat hij is vrijgesproken van belaging en dat hij contact met zijn kinderen heeft hersteld, maar dit is niet aannemelijk gemaakt. Ook het aangevoerde beschermenswaardige privéleven en de verwijzingen naar media en eigen publicaties overtuigen de rechtbank niet. De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro valt in het nadeel van eiser uit. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/509

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser,

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.N.J. Versteeg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 juni 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 januari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser is zonder voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1971 en heeft Albanese nationaliteit. Eiser heeft op 21 november 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Eiser wenst verblijf bij zijn vier kinderen in Nederland. De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit en zijn geboren uit het huwelijk met zijn ex-echtgenote. Eiser heeft in 2017 en 2020 eenzelfde aanvraag ingediend. Beide aanvragen zijn afgewezen en de afwijzingen staan in rechte vast.
3. Verweerder heeft deze derde aanvraag eveneens afgewezen, omdat eiser niet beschikt over een mvv en hij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van dit vereiste. Verweerder heeft geconcludeerd dat tussen eiser en zijn kinderen geen sprake is van een beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] . Eiser heeft nog steeds niet aangetoond dat sprake is van een feitelijke invulling van het familieleven met zijn kinderen. Ten slotte heeft verweerder aangenomen dat eiser privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM heeft, maar de belangenafweging is in het nadeel van eiser uitgevallen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. De ex-echtgenote van eiser had aangifte gedaan wegens belaging, maar het Gerechtshof heeft eiser hiervan in 2024 vrijgesproken. [2] Verweerder heeft deze vrijspraak niet meegenomen in de beoordeling van de aanvraag. Als eiser het contact met zijn kinderen heeft hersteld, voldoet hij aan de voorwaarden voor de afgifte van de verblijfsvergunning. Eiser voert ook aan dat hij een beschermenswaardig privéleven heeft en verwijst ter onderbouwing naar een artikel in de Telegraaf en twee door hem geschreven boeken. Tot slot wijst eiser op zijn recht op een eerlijk proces. [3]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM
6. In geschil is tussen partijen of eiser een beschermenswaardig familie- en gezinsleven in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM heeft met zijn kinderen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de belangen van eiser en zijn kinderen voldoende afgewogen tegen het belang van de Nederlandse staat en voldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser ten opzichte van de vorige procedure geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan beschermenswaardig familieleven tussen eiser en zijn kinderen moet worden aangenomen. De beslissing uit de vorige procedure staat in rechte vast, nu de rechtbank hier uitspraak over heeft gedaan. [4] Niet is aangetoond dat sprake is van een feitelijke invulling van dit familieleven. Niet is gebleken dat eiser inmiddels een omgangsregeling met zijn kinderen heeft, het gezag over zijn kinderen heeft of contact met hen heeft. De overgelegde boekcovers en het krantenartikel doen aan het voorgaande niet af. Verder heeft verweerder op zitting aangegeven dat de vrijspraak van eiser ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bekend was, maar dat de vrijspraak niets afdoet aan het feit dat niet is gebleken dat eiser feitelijk invulling aan zijn familieleven geeft. Tot slot heeft eiser de wens geuit om zijn gezinsleven te herstellen, maar tot op heden is hiervan niet gebleken. Bij deze stand van zaken heeft verweerder op goede gronden de aanvraag kunnen afwijzen.
Privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM
7. Verder is in geschil of eiser een beschermenswaardig privéleven heeft in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser weliswaar privéleven heeft in Nederland, maar dat de belangenafweging in zijn nadeel uitvalt. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser ten opzichte van de vorige procedure geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan dit beschermenswaardig privéleven moet worden aangenomen. De beslissing hierover uit de vorige procedure staat in rechte vast, nu de rechtbank hier uitspraak over heeft gedaan. [5] Verweerder heeft tot slot niet ten onrechte betrokken dat de stelling van eiser dat hij 72 rechterlijke procedures heeft gevoerd onvoldoende is om beschermenswaardig privéleven aan te nemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. Voorts heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor het onevenredig hard zou zijn voor eiser om terug te keren naar Albanië om aldaar een mvv aan te vragen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 3 april 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1162.
3.Zoals volgt uit artikel 6 van Pro het EVRM en artikel 17 van Pro de Grondwet.
4.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 september 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:14691.
5.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 september 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:14691.