ECLI:NL:RBDHA:2025:272
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en vreemdelingenbewaring
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie tot intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht en het opleggen van een inreisverbod en signalering. Tevens heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd om schorsing van het besluit, omdat hij op dezelfde dag in vreemdelingenbewaring is gesteld.
De voorzieningenrechter overweegt dat het bezwaar tegen het besluit geen schorsende werking heeft en dat het feit dat verzoeker in vreemdelingenbewaring is gesteld, niet automatisch onverwijlde spoed oplevert. Verweerder heeft aangegeven dat er geen concrete uitzettingsdatum bekend is, waardoor niet kan worden aangenomen dat verzoeker wordt uitgezet voordat op het bezwaar is beslist.
Daarnaast is niet gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Gezien deze omstandigheden wordt het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. De uitspraak is gedaan zonder zitting en staat geen hoger beroep of verzet tegen open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en vreemdelingenbewaring is afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed en het niet evident onrechtmatig zijn van het besluit.