Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:27212

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
NL25.55269
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1a lid 3 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 9 lid 1 Opvangrichtlijn 2013/33/EUArt. 8 lid 3 Opvangrichtlijn 2013/33/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond op onrechtmatige grensdetentie en toekenning schadevergoeding

Eiser was vanaf 1 augustus 2025 in grensdetentie, die tijdelijk werd onderbroken vanwege het uitzitten van strafrechtelijke detentie. De minister hanteerde de strafrechtelijke detentie mee bij de berekening van de maximale termijn van dertien weken grensdetentie en bood een schadevergoeding aan voor elf dagen overschrijding.

De rechtbank stelt vast dat de strafrechtelijke detentie niet moet worden meegerekend bij de beoordeling van de naleving van de dertien weken termijn, conform jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Opvangrichtlijn. Hierdoor is de grensdetentie niet te lang geweest.

De rechtbank ziet geen reden om strenger te toetsen dan de minister en verklaart het beroep gegrond. De minister wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €1.100,- en de proceskosten van €1.814,-. Het hoger beroep staat open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en kent een schadevergoeding van €1.100,- toe plus proceskosten.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.55269
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister) (gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 11 november 2025 de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Op grond van artikel 5.1a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Omdat de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank, indien de bewaring al is opgeheven vóór de
behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank ziet aanleiding zich eerst te buigen over de vraag of er sprake is van de naleving van de dertien weken termijn, zoals bedoeld in de uitspraak1 van 1 juli 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Daarin is geoordeeld dat grensdetentie in ieder geval niet zo kort als mogelijk duurt indien er tussen het moment van het opleggen van de grensdetentie en de beslissing van de asielrechter op het beroep tegen de afwijzende asielbeschikking een periode van meer dan dertien weken zit.
3.1.
In onderhavige zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de vrijheidsontnemende maatregel van 20 oktober 2025. Op 1 augustus 2025 is de
grensdetentie aangevangen. Van 12 september 2025 tot en met 20 september 2025 en van 10 oktober 2025 tot en met 20 oktober 2025 is de grensdetentie onderbroken vanwege het uitzitten van strafrechtelijke detentie, zo leidt de rechtbank af uit de twee registratiekaarten DJI die in het dossier zitten. Na het uitzitten van de voornoemde strafrechtelijke detentie is er tot twee keer toe (weer) een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De grensdetentie is uiteindelijk op 11 november 2025 opgeheven nadat het asielberoep van eiser op 11 november 2025 gerond was verklaard.
3.2.
In artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn2 is bepaald dat de grensdetentie zo kort mogelijk moet duren en slechts zolang de in artikel 8, derde lid, van de Opvangrichtlijn genoemde redenen van toepassing zijn. In het geval dat de strafrechtelijke detentie van eiser wordt meegenomen in de gestelde termijn van dertien weken van de Afdeling, heeft eiser ruim vijftien weken in grensdetentie gezeten en zou daarmee de grensdetentie te lang hebben voortgeduurd.
3.3.
De minister stelt zich op het standpunt dat op 31 oktober 2025, 13 weken na de eerste maatregel op 1 augustus 2025, de maximale termijn van de grensdetentie is overschreden en is bereid om schadevergoeding aan te bieden voor elf dagen onrechtmatige grensdetentie. Daarmee wordt de strafrechtelijke detentie door de minister meegeteld in de gestelde termijn van de Afdeling. De minister heeft toegelicht dat hij kijkt naar de detentie gedurende de grensprocedure, ongeacht of deze strafrechtelijk of vreemdelingenrechtelijk is.
3.4.
De rechtbank stelt vast dat de minister heeft aangeboden schade te vergoeden voor de periode van 1 november 2025 tot en met 11 november 2025, wat neerkomt op 11 dagen x
€100,- per dag = €1.100,- euro.
3.5.
De rechtbank is van oordeel dat de strafrechtelijke detentie niet moet worden meegenomen bij de beoordeling van de naleving van de dertien weken termijn op grond van de jurisprudentie van de Afdeling. Deze jurisprudentie ziet immers op de naleving van artikel 9 van Pro de Opvangrichtlijn dat betrekking heeft op bewaring in de zin van artikel 8 van Pro de Opvangrichtlijn. Dat betekent dat de dertien weken termijn in het geval van eiser niet is overschreden.
2 Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
3.6.
Omdat het de minister vrij staat om een gunstigere regeling te treffen dan het Unierecht voorschrijft, ziet de rechtbank geen aanleiding om strenger te toetsen dan de minister. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en een schadevergoeding toewijzen ter hoogte van het bedrag dat de minister heeft aangeboden te betalen.

Conclusie

4. Het beroep is gegrond. Gelet daarop behoeft de overige beroepsgrond van eiser niet te worden besproken.
5. De rechtbank kent een schadevergoeding toe van €1.100,-.
6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.100,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 december 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.