Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:27219

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
NL25.60442
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 5.1a VbArt. 9 lid 1 Opvangrichtlijn 2013/33/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Grensdetentie onrechtmatig wegens overschrijding maximale duur door late asielbehandeling

Eiseres, een Syrische vrouw, werd op 18 november 2025 onderworpen aan een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Zij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 16 december 2025.

De rechtbank stelde vast dat de maximale grensdetentietermijn van 13 weken op 17 februari 2026 zou verstrijken. Uit navraag bij de griffie bleek dat het asielberoep van eiseres niet binnen deze termijn kon worden behandeld, omdat alle zittingen in het eerste kwartaal van 2026 al volgepland waren. Hierdoor zou de detentie langer duren dan wettelijk toegestaan.

De rechtbank oordeelde dat voortzetting van de grensdetentie niet evenredig is en derhalve onrechtmatig vanaf 17 december 2025, de dag na het sluiten van het onderzoek. De maatregel werd daarom opgeheven met ingang van die datum. Tevens werd een schadevergoeding van €100 toegekend voor één dag onrechtmatige detentie en werden de proceskosten van €1.814 aan eiseres toegekend.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de grensdetentie met ingang van 17 december 2025 wegens overschrijding van de maximale detentietermijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.60442

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. C. Chen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2025 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen dhr. M. El Majdoubi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft de Syrische nationaliteit. Zij is geboren op [geboortedatum] 1958.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Eiseres betoogt dat het voortduren van de grensdetentie onevenredig bezwarend is, omdat er naar uitziet dat de behandeling van haar asielberoep niet tijdig kan plaatsvinden. Eiseres wijst in dat verband op de uitspraak van de Afdeling [1] van 1 juli 2025 [2] en op de brief die de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, aan haar gemachtigde in de asielprocedure heeft gestuurd.
4. In de uitspraak van 1 juli 2025 heeft de Afdeling artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn [3] zo uitgelegd dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw in ieder geval te lang voortduurt na dertien weken, gerekend vanaf de dag van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.
5. De rechtbank stelt vast dat de termijn van dertien weken in dit geval zal verstrijken op 17 februari 2026 en dat voor de behandeling van het asielberoep en het verzoek om een voorlopige voorziening nog geen zittingsdatum bekend is. Wel zijn in de door eiseres aangehaalde brief in de asielprocedure verhinderdata opgevraagd voor de maanden april, mei en juni 2026.
6. De rechtbank heeft naar aanleiding van die brief op 16 december 2025
– voorafgaand aan de zitting – bij de griffie van de rechtbank nagevraagd of het asielberoep van eiseres nog binnen de termijn van dertien weken zou kunnen worden gepland. De griffie heeft laten weten dat alle (geschikte) zittingen in het eerste kwartaal van 2026 zijn volgepland en dat er momenteel geen ruimte is het asielberoep van eiseres in het eerste kwartaal van 2026 in te plannen. Dat betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat het asielberoep van eiseres vermoedelijk pas in het tweede kwartaal van 2026 op zitting kan worden behandeld. Dat is buiten de door de Afdeling bepaalde termijn om nog te kunnen voldoen aan het vereiste van een zo kort mogelijke detentie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Anders dan de minister heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat bij deze stand van zaken de minister niet in de gelegenheid hoeft te worden gesteld om bij de griffie van de rechtbank na te vragen of het asielberoep van eiseres met voorrang in het eerste kwartaal van 2026 kan worden behandeld. Het antwoord op die vraag is immers al bekend. Voortzetting van de grensdetentie dient dan geen enkel doel meer. Het voortduren van de bestreden maatregel is daarom niet evenredig te achten.
7. Het beroep is gegrond en het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel is onrechtmatig vanaf 17 december 2025, de dag na het sluiten van het onderzoek in deze procedure. De rechtbank beveelt dan ook de opheffing van de maatregel met ingang van
17 december 2025.
8. Omdat het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is met ingang van 17 december 2025 ziet de rechtbank aanleiding om schadevergoeding toe te kennen voor één dag onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel, ter hoogte van 1 x € 100,- (voor verblijf in het detentiecentrum) = € 100,-.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van
17 december 2025;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 100,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Q.M.J.A. Crul, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Richtlijn 2013/33/EU.