ECLI:NL:RBDHA:2025:27330

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/694114 / FA RK 25-8336
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Haags KinderontvoeringsverdragArt. 11 lid 1 Uitvoeringswet internationale kinderontvoeringArt. 12 lid 1 Haags KinderontvoeringsverdragArt. 13 lid 1 sub a Haags KinderontvoeringsverdragArt. 13 lid 1 sub b Haags Kinderontvoeringsverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot teruggeleiding van kinderen bij internationale kinderontvoering

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot teruggeleiding van zijn twee kinderen naar hun gewone verblijfplaats in het buitenland, op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De moeder had de kinderen zonder toestemming naar Nederland gebracht, wat de rechtbank als ongeoorloofde overbrenging kwalificeerde.

De moeder voerde verweer met een beroep op weigeringsgronden uit het Verdrag, waaronder het risico op een ondragelijke toestand en het verzet van het kind. De rechtbank oordeelde dat de moeder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat terugkeer tot ondragelijke omstandigheden zou leiden en dat het verzet van het oudste kind niet zodanig was dat daarmee rekening moest worden gehouden.

De rechtbank gelastte de onmiddellijke terugkeer van de kinderen uiterlijk 12 januari 2026, waarbij de moeder de kinderen dient terug te brengen. Indien zij dit nalaat, moet zij de kinderen aan de vader afgeven met geldige reisdocumenten. Tevens veroordeelde de rechtbank de moeder tot betaling van de door de vader gemaakte proces- en overige kosten. De bijzondere curator blijft betrokken tot een maand na deze beschikking, tenzij hoger beroep wordt ingesteld.

Uitkomst: De rechtbank gelast de onmiddellijke terugkeer van de kinderen naar hun gewone verblijfplaats in het buitenland uiterlijk 12 januari 2026 en veroordeelt de moeder in de kosten.

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8336
Zaaknummer: C/09/694114
Datum beschikking: 24 december 2025

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 5 november 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een voor de rechtbank onbekend adres,
advocaat: mr. A.L. Weterings in Oegstgeest, voorheen mr. J.H. Weermeijer-Patist.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Ferwerda in Amsterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vader;
  • het bericht van 10 november 2025, met bijlage, namens de vader;
  • het bericht van 19 november 2025, met bijlage, namens de vader;
  • de e-mail van 4 december 2025 namens de vader;
  • het verweerschrift, met bijlagen, namens de moeder;
  • het bericht van 5 december 2025, met bijlage, namens de moeder;
  • het verslag van 9 december 2025 van de bijzondere curator;
  • het bericht van 9 december 2025, met bijlagen, namens de vader.
Op 18 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met mr. A.L. Weterings als waarnemend advocaat, de moeder met
mr. M.L. Spekschoor als waarnemend advocaat en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. A.C. Olland. De behandeling op de zitting is aangehouden.
Na de regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 4 december 2025 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is geslaagd. De vader handhaaft daarom het teruggeleidingsverzoek.
Bij beschikking van deze rechtbank van 5 december 2025 is mr. drs. A.M. Beijersbergen-Van Bosveld Heinsius benoemd als bijzondere curator over de minderjarige [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] .
De bijzondere curator is verzocht de volgende vragen te beantwoorden:
Wat geeft [de minderjarige 1] zelf aan over een eventueel verblijf in [land] en een eventueel verblijf in Nederland?
In hoeverre lijkt [de minderjarige 1] zich vrij te kunnen uiten?
In hoeverre lijkt [de minderjarige 1] de gevolgen van het verblijf in [land] of het verblijf in Nederland te overzien?
Wil [de minderjarige 1] met de rechter(s) spreken en zo ja, wenst [de minderjarige 1] dat de bijzondere curator daarbij aanwezig zal zijn?
De rechtbank verzoekt de bijzondere curator hierbij met [de minderjarige 1] te bespreken dat het gesprek mogelijk met drie rechters gevoerd gaat worden (waarbij er mogelijk twee rechters via een beeldscherm deelnemen).
5. Ziet de bijzondere curator aanleiding om het kindgesprek online te houden?
6. Is het nodig dat er een tolk aanwezig is bij het kindgesprek en zo ja, in welke taal (en indien van toepassing welk dialect)?
7. Zijn er nog bijzonderheden naar voren gekomen die van belang zijn voor de te nemen beslissingen?
De minderjarige [de minderjarige 1] heeft ook zijn mening gegeven over het verzoek in een gesprek in raadkamer met de (kinder)rechters. De bijzondere curator was daarbij via een digitale verbinding aanwezig.
Op 11 december 2025 is de behandeling op de zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat, de bijzondere curator en [naam 2] namens de Raad.

Feiten

  • De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats 2] , [geboorteland] .
  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
  • In mei 2025 is de moeder met de kinderen naar Nederland vertrokken.
  • De ouders en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.
  • De vader heeft zich gewend tot de Spaanse Centrale autoriteit.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt, met toepassing van artikel 13 van Pro de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (de Uitvoeringswet):
primair:
- de onmiddellijke terugkeer van de kinderen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun gewone verblijfplaats in [land] te bevelen, doch vóór 30 november 2025, althans de terugkeer van de kinderen vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de kinderen primair dient af te geven aan de vader;
subsidiair:
  • te bevelen dat de moeder de kinderen dient terug te brengen naar [land] , meer specifiek [plaats 1] , althans de plek waar hun gewone verblijfplaats is gelegen, dan wel – indien de moeder nalaat de kinderen terug te brengen – te bepalen op welke datum de moeder de kinderen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij de kinderen zelf mee terug kan nemen naar [land] ;
  • de moeder te veroordelen in de proceskosten van de vader zijnde € 176,- alsmede het aan de rechtbank verschuldigde griffierecht van € 90,-, te vermeerderen met reis- en verblijfskosten en eventuele kosten voor het aanvragen van een (voorlopig) reisdocument en de reis- en verblijfskosten van de vader en de kinderen indien de vader de kinderen dient op te halen om terug te keren naar [land] ,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder voert verweer tegen het verzoek van de vader.

Beoordeling

Rechtsmacht
Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (het Verdrag). Nederland en [land] zijn partij bij het Verdrag.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van Pro de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag
Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of
gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van Pro het Verdrag).
Het is niet in geschil dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onmiddellijk voor hun overbrenging naar Nederland hun gewone verblijfplaats in [land] hadden, dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging, dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar Nederland en dat de overbrenging is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar Spaans recht. Daarmee komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van de kinderen naar Nederland ongeoorloofd is in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag.
Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van Pro het Verdrag
Op grond van artikel 12 lid 1 van Pro het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.
Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de kinderen naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn geworteld als bedoeld in artikel 12 lid 2 van Pro het Verdrag. Dat betekent dat in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de kinderen moet volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van Pro het Verdrag.
De moeder stelt dat sprake is van de weigeringsgronden zoals bedoeld in artikel 13 lid Pro 1
sub b en artikel 13 lid 2 van Pro het Verdrag. Voor zover de moeder zich ook heeft willen beroepen op berusting zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub a van Pro het Verdrag is de rechtbank van oordeel dat uit de overgelegde appberichten niet kan worden afgeleid dat de vader heeft berust in een permanent verblijf van de kinderen in Nederland. Met betrekking tot de andere weigeringsgronden overweegt de rechtbank als volgt.
Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag
Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, als de persoon die zich tegen de terugkeer verzet aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich mee dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd. De rechtbank benadrukt hierbij dat, aangezien de moeder degene is die zich beroept op een uitzondering waardoor de kinderen niet (met haar) zouden hoeven terug te keren naar [land] , het op haar weg ligt om de onmogelijkheid van een terugkeer – vanwege het ernstig risico op lichamelijk of geestelijk gevaar dan wel het ontstaan van een ondragelijke toestand voor de kinderen – aan te tonen of op zijn minst aannemelijk te maken.
De moeder heeft haar visie op de relatie met de vader en de omstandigheden voor en na de overbrenging in een relaas uiteengezet. Uit het verhaal van de moeder valt af te leiden dat sprake is geweest van een relatie die zij op een gegeven moment als intimiderend en onveilig is gaan ervaren. De ouders hebben duidelijk een andere visie op de wijze van opvoeding van de kinderen en de moeder kan zich niet vinden in de opvoedstijl van de vader. De moeder stelt dat [de minderjarige 1] door de wijze van opvoeding door de vader weerstand is gaan ervaren tegen contact met de vader en dat [de minderjarige 1] wordt blootgesteld aan een geestelijk gevaar als hij moet terugkeren naar [land] . Daarmee is volgens de moeder sprake van een ondragelijke toestand bij terugkeer. De rechtbank is van oordeel dat er niet zonder meer sprake van een ondragelijke toestand voor de kinderen wanneer zij zouden terugkeren naar [land] . De kinderen zouden namelijk worden teruggeleid naar het land [land] en niet per se naar de woning waar zij als gezin samenwoonden. Gelet op de wens van de moeder om de relatie niet langer te willen voortzetten en haar relaas over de relatie begrijpt de rechtbank dat zij niet terug wil naar de vader. De moeder heeft echter – gelet op de gemotiveerde betwisting van de vader – onvoldoende onderbouwd dat zij niet kan terugkeren naar [land] . De vader heeft op de zitting aangegeven dat hij een situatie wil creëren waarin hij niet samenleeft met de moeder. Hij is bereid om zelf andere woonruimte te zoeken, zodat de moeder met de kinderen terug kan keren naar de woning van partijen, of om bij te dragen aan de huur voor een andere woning voor de moeder en de kinderen.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de moeder in het Spaanse systeem hulp kan zoeken voor de problemen die zij heeft geschetst. De moeder stelt onder meer dat zij naar de politie is gegaan wegens huiselijk geweld en dat de politie aangaf haar niet te kunnen helpen, omdat ze geen blauwe plekken had. Dit maakt echter niet zonder meer dat er geen enkele hulp beschikbaar is of dat er geen bescherming kan worden geboden. Ook voor de problemen die [de minderjarige 1] ervaart en waarvoor hij in Nederland naar een kindercoach gaat is in [land] zo nodig hulp beschikbaar.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij terugkeer naar [land] in een ondragelijke toestand zullen komen. Het beroep van de moeder op deze weigeringsgrond slaagt dan ook niet.
Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van Pro het Verdrag
Op grond van artikel 13 lid 2 van Pro het Verdrag kan de rechtbank eveneens weigeren de terugkeer van een kind te gelasten, als zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.
Voor de beoordeling van het verzet kijkt de rechtbank naar dat wat [de minderjarige 1] heeft verteld aan de bijzondere curator en aan de rechtbank. [de minderjarige 1] heeft ook gesproken met een kindercoach, maar hetgeen [de minderjarige 1] daar feitelijk heeft gezegd wijkt niet af van wat hij aan de bijzondere curator en de rechtbank heeft verteld. De moeder heeft verder verwezen naar het verslag van een speltherapeut. De rechtbank constateert echter dat, omdat de vader geen toestemming voor speltherapie gaf, [de minderjarige 1] niet zelf met de speltherapeut heeft gesproken. De rechtbank neemt dat verslag daarom niet mee in de beoordeling van eventueel verzet van [de minderjarige 1] .
De rechtbank constateert, de mate van rijpheid van [de minderjarige 1] nog daargelaten, dat van daadwerkelijk verzet van [de minderjarige 1] tegen een terugkeer naar [land] als bedoeld in artikel 13 lid 2 van Pro het Verdrag niet is gebleken. Voor beoordeling van deze weigeringsgrond is van belang of het verzet van [de minderjarige 1] verder strekt dan de enkele wens om in het ene land of in het andere land te blijven. [de minderjarige 1] heeft duidelijk aangegeven dat hij niet terug naar [land] wil en dat hij het leuk vindt in Nederland. Hij heeft daarbij verteld dat hij voetbal, vriendjes, school en familie belangrijk vindt en dat hij deze dingen in [land] heeft gemist. Daarnaast heeft [de minderjarige 1] vervelende herinneringen aan het huis en vakantiehuis in [land] en aan enkele incidenten met de vader. Hij geeft ook aan dat hij op zijn Spaanse school ‘ [school] ’ geen vriendjes had, omdat hij de oudste was. [de minderjarige 1] heeft aangegeven dat hij daarom in Nederland wil blijven en zijn toekomst hier voor zich ziet. De rechtbank leidt hieruit af dat [de minderjarige 1] vooral behoefte heeft aan sociale interactie, dat hij die nu vindt in Nederland en daarom aangeeft hij dat hij in Nederland wil blijven. De rechtbank overweegt echter dat het ook mogelijk moet zijn om die sociale interactie in [land] te vinden. Op de zitting is besproken dat de moeder in [plaats 2] zou kunnen gaan wonen, waar scholen en voetbalvoorzieningen beschikbaar zijn. Daarnaast heeft de vader aangegeven open te staan voor de inschrijving van [de minderjarige 1] op een reguliere school in plaats van op [school] .
De rechtbank concludeert daarom dat er geen sprake is van zodanig verzet dat daarmee rekening moet worden gehouden. De rechtbank volgt de moeder dan ook niet in haar beroep op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 2 van Pro het Verdrag.
Conclusie
Nu geen sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en Pro artikel 13 lid 2 van Pro het Verdrag en ook niet gebleken is dat er sprake is van een van de overige in artikel 13 van Pro het Verdrag genoemde weigeringsgronden, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de indiening van het verzoekschrift, moet op grond van artikel 12 lid 1 van Pro het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] volgen. De rechtbank acht de terugkeer van de kinderen naar [land] niet in strijd met hun fundamentele rechten en overweegt dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de fundamentele rechten van de kinderen in [land] niet op dezelfde voet worden beschermd als in Nederland.
Afgifte van de minderjarigen
De vader heeft afgifte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] aan hem verzocht. De rechtbank zal daartoe - ondanks het bepaalde in artikel 13 lid 5 van Pro de Uitvoeringswet - niet overgaan, nu zij dat niet in het belang van de kinderen acht. Zij zullen immers met de moeder terugkeren en het staat niet ter discussie dat de moeder altijd de meeste zorg voor de kinderen heeft gedragen. Bovendien is de strekking van het Verdrag (en de Uitvoeringswet) dat het kind wordt teruggeleid naar het land van herkomst, zodat daar zo nodig verdere beslissingen over de verblijfplaats van het kind kunnen worden genomen. De rechtbank zal daarom minder toewijzen dan verzocht en de teruggeleiding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bevelen op de na te melden wijze, waarbij afgifte aan de vader pas aan de orde komt als de moeder niet zelf voor teruggeleiding zorgt en dan enkel met het doel de kinderen terug te geleiden naar [land] .
Afwachting hoger beroep
Op grond van artikel 13 lid 5 van Pro de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kunnen afwachten en zal het verzoek van de vader om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 12 januari 2026, zijnde de derde werkdag dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.
Kosten
Op grond van artikel 26 lid 4 van Pro het Verdrag en artikel 13 lid 5 van Pro de Uitvoeringswet kan de rechtbank de moeder veroordelen tot betaling van de door de vader in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van de kinderen gemaakte kosten.
De vader verzoekt de rechtbank om de moeder te veroordelen tot betaling van de proceskosten van de vader, zijnde € 176,- eigen bijdrage, plus het aan de rechtbank verschuldigde griffierecht van € 90,- en advocaatkosten van € 75,-. Daarnaast verzoekt de vader om de moeder te veroordelen tot betaling van de reiskosten die hij heeft moeten maken om de zittingen bij te wonen.
De moeder vraagt het verzoek van de vader af te wijzen en anders de kostenveroordeling te matigen.
Gezien de aard en de ernst van de zaak (de moeder is verantwoordelijk voor de ongeoorloofde overbrenging van de kinderen), zal de rechtbank de moeder veroordelen in de door de vader aangevoerde proceskosten van in totaal € 341,-. Voor de overige kosten zal de rechtbank in de kostenveroordeling enkel die kosten meenemen waaruit zonder meer blijkt wanneer en met welk doel de vader die heeft gemaakt. Alle overige kosten zal de rechtbank bij gebrek aan onderbouwing afwijzen. Zo is bijvoorbeeld onduidelijk waarom de vader kosten heeft gemaakt voor een vlucht van [plaats 3] naar Amsterdam op 19 november 2025, terwijl hij reeds op 17 november 2025 naar Amsterdam was gevlogen voor - naar de rechtbank aanneemt - de regiezitting die op 18 november 2025 plaatsvond.
Dat betekent dat de rechtbank de moeder, naast de proceskosten, zal veroordelen in de betaling van de overige kosten van in totaal € 182,62, bestaande uit:
  • € 16,89 voor de parkeerkosten bij de luchthaven in [plaats 3] van 17 november 2025 tot en met 20 november 2025;
  • € 30,25 voor de huurauto bij Budget Eindhoven Airport van 17 november 2025 tot en met 19 november 2025;
  • € 98,79 voor de vlucht op 17 november 2025 van [plaats 3] naar Eindhoven;
  • € 36,69 voor de vlucht op 11 december 2025 van [plaats 3] naar Amsterdam.
Bijzondere curator
De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige 1] dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en eventueel de uitspraak van het Gerechtshof) met hem bespreekt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na de datum van deze beschikking als beëindigd.

Beslissing

De rechtbank:
*
gelast de terugkeer van de minderjarigen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats 2] , [geboorteland] ,
naar [land] uiterlijk op 12 januari 2026, waarbij de moeder de kinderen dient terug te brengen naar [land] en beveelt, indien de moeder nalaat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] terug te brengen naar [land] , dat de moeder de kinderen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 12 januari 2026, zodat de vader de kinderen zelf mee terug kan nemen naar [land] ;
*
veroordeelt de moeder tot betaling aan de vader van de door hem in verband met de ontvoering en teruggeleiding gemaakte kosten van in totaal € 523,62;
*
wijst af het meer of anders verzochte;
*
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 24 januari 2026 als beëindigd.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.L. Strop, C. van Hees en M.F. Baaij, rechters, ook kinderrechters, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 24 december 2025.
Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet Pro internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.