ECLI:NL:RBDHA:2025:27520

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
NL25.25994
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 lid 6 onder c Vw 2000Art. 31 lid 6 onder d Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Eritrese minderjarige vanwege ongeloofwaardige identiteit en te late indiening

Eiser, een minderjarige die stelt tot de Saho-bevolkingsgroep uit Eritrea te behoren, diende op 24 januari 2024 een asielaanvraag in. De minister wees deze af op 4 juni 2025 wegens ongeloofwaardige identiteit, nationaliteit en herkomst, en omdat de aanvraag niet zo spoedig mogelijk was ingediend.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de identiteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig achtte, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen, onvoldoende kennis van de Saho-cultuur en onduidelijkheid over geboortedatum. Ook was de late indiening van de aanvraag niet verschoonbaar, ondanks het minderjarig zijn van eiser.

De rechtbank stelt dat de minister niet verplicht was om andere asielmotieven inhoudelijk te toetsen en dat het opgelegde terugkeerbesluit niet onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege ongeloofwaardige identiteit en niet-verschoonbare late indiening.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25994
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.H. Hekman),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders en R.V. Bekker).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000i. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig mocht achten. De te late indiening van de asielaanvraag mocht door de minister als niet verschoonbaar worden beoordeeld. Daarnaast heeft de minister mogen afzien van het beoordelen van andere asielmotieven en heeft de minister eiser een terugkeerbesluit mogen opleggen
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 24 januari 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt dat hij de Eritrese nationaliteit heeft, dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2007 en tot de Saho bevolkingsgroep behoort. De minister heeft met het bestreden besluit van 4 juni 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. Vervolgens is de zaak op 1 december 2025 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, de tolk, de heer A. Sharbat en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser was heel jong toen hij uit Eritrea vertrok. De vader van eiser had problemen omdat hij van de oppositie was. De broer van eiser is daarom gedood. Eiser weet niet wat voor problemen zijn vader precies had. Eiser vreest dat hij in Eritrea problemen zal krijgen vanwege de problemen van zijn vader. In Soedan is eiser gediscrimineerd doordat Soedanezen hem
‘habashi’noemden, dit betekent dat ze je niet zien als mens. Ook gooiden ze stenen richting het vluchtelingenkamp. Eiser heeft geen documenten overgelegd.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2) De problemen van vader in Eritrea.
4.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn. De minister acht de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig omdat deze geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.ii Eiser heeft summier verklaard over de Saho-bevolkingsgroep waartoe hij stelt te behoren. Eiser kan geen enkele sub-stam noemen en ook niet verklaren over specifieke rituelen of gebruiken van de Saho. Hetgeen in de correcties en aanvullingen naar voren is gebracht is niet specifiek voor de Saho en eiser verzuimt uit te leggen waarom deze informatie niet tijdens het nader gehoor naar voren is gebracht. Wat eiser over de Saho verklaart is summier en strookt niet met de verklaringen van eiser dat zijn vader hem veel over de Saho heeft verteld en dat eiser (geschiedenis)lessen over de Saho volgt via YouTube. De Saho-bevolkingsgroep komt, naast Eritrea, ook voor in Ethiopië en Soedan. Niet uitgesloten kan worden dat eiser uit één van deze landen afkomstig is. De talenkennis van eiser (hij spreekt Saho en een beetje Tigrinya en Arabisch) maakt ook dat niet uitgesloten kan worden dat eiser uit Ethiopië of Soedan afkomstig is. Eiser heeft daarbij aangegeven Tigrinya pas in Nederland geleerd te hebben en het Arabisch in Libië te hebben geleerd. Dat eiser niet (meer) over zijn leven in Eritrea kan verklaren wordt gevolgd, maar niet wordt gevolgd dat eiser niet de Eritrese feestdagen kan benoemen (die hij, naar eigen zeggen, wel viert). Voorts kan eiser niet aanduiden wanneer de Eritrese Onafhankelijkheidsdag is. Evenmin kent eiser de eerste twee regels van het Eritrese volkslied. Dergelijke informatie mag wel van eiser verwacht worden gelet op zijn verklaring dat zijn vader veel heeft verteld en dat hij de Eritrese feestdagen viert.
4.2.
Eiser heeft verder tegenstrijdig verklaard over de geboortedatum die hij in Italië heeft opgegeven. Eiser stelt in het aanmeldgehoor AMV van 26 augustus 2024 dat hij [geboortedatum 2] 2007 als geboortedatum heeft opgegeven terwijl uit gegevens van de Italiaanse autoriteiten blijkt dat [geboortedatum 1] 2007 als geboortedatum is opgegeven. Bij confrontatie met deze tegenspraak heeft eiser gezegd alleen zijn geboortejaar te hebben doorgegeven om vervolgens in de correcties en aanvullingen aan te geven dat de Italiaanse autoriteiten het niet goed hebben genoteerd. De minister gaat uit van de in Italië geregistreerde geboortedatum: [geboortedatum 1] 2007.
4.3.
De minister weegt tot slot mee dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven waardoor eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw. Eiser heeft zich op 23 januari 2024 aangemeld voor asiel in Nederland. Eiser is echter vier of vijf dagen daarvoor Nederland ingereisd. Eiser verklaart in deze periode geprobeerd te hebben om naar [plaats] te komen, maar telkens uit de trein te zijn gezet wegens zwartrijden. Uiteindelijk werd de politie erbij gehaald en heeft de politie eiser een treinticket bezorgd. Deze verklaring vormt volgens de minister echter geen goede reden voor het niet op tijd melden voor asiel.
4.4.
Het asielmotief over de problemen van eisers vader in Eritrea wordt niet inhoudelijk getoetst. Nu de gestelde herkomst uit Eritrea niet wordt gevolgd, is het daarom ook niet geloofwaardig dat eiser de Eritrese nationaliteit heeft. De verklaringen over de problemen in Eritrea zijn daarom niet geloofwaardig. Het asielrelaas wordt niet inhoudelijk beoordeeld. De minister concludeert dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Gronden van beroep over identiteit, nationaliteit en herkomst en beoordeling daarvan
5. Eiser heeft diverse gronden van beroep aangevoerd. Volgens eiser is niet gebleken dat de minister (voldoende) rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. De minister werpt verder ten onrechte tegen dat er gemeenschappen van etnische Saho in Soedan wonen. De minister miskent dat hij uit (UNHCR-)documenten van de ouders van eiser kon opmaken dat eiser de Eritrese nationaliteit heeft. Tot slot wordt de asielaanvraag van eiser ten onrechte door de minister als niet-verschoonbaar te laat aangemerkt.
Is voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. In het voornemen wordt opgemerkt dat eiser niets meer weet over waar hij in Eritrea heeft gewoond. Tegelijkertijd wordt van eiser verwacht dat hij andere informatie over Eritrea wel kan noemen, omdat zijn vader hem veel heeft verteld. Niet blijkt dat rekening is gehouden met de jonge leeftijd van eiser toen hij nog in Soedan verbleef. Bovendien is eiser daarna een lange periode onderweg geweest naar Europa/Nederland. Het is daarom niet vreemd dat eiser weinig kennis heeft van Eritrea.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister het referentiekader van eiser voldoende in acht heeft genomen. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit en tijdens de zitting voldoende heeft toegelicht op welke manier met het referentiekader van eiser rekening is gehouden. De minister heeft hierbij onder andere de minderjarigheid van eiser tijdens een deel van de asielprocedure meegewogen. De minister mocht naar het oordeel van de rechtbank van de eigen verklaringen van eiser uitgaan. Daarmee mocht de minister ook uitgaan van de verklaring van eiser dat zijn vader veel over de Saho heeft verteld en dat eiser (geschiedenis)lessen over de Saho volgt via YouTube. Daarnaast heeft de minister terecht opgemerkt dat eiser de Eritrese feestdagen niet kan benoemen, terwijl hij verklaart deze feestdagen te vieren. Eiser kan bovendien niet aanduiden wanneer de Eritrese Onafhankelijkheidsdag is. De minister mocht ook meewegen dat eiser de eerste twee regels van het Eritrese volkslied niet kent. Niet ten onrechte verbindt de minister hier de conclusie aan dat dergelijke informatie wel van eiser verwacht mag worden gelet op zijn eigen verklaring dat zijn vader veel heeft verteld over de Saho en gelet op de verklaring van eiser dat hij de Eritrese feestdagen viert. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de minister tegenwerpen dat de Saho bevolkingsgroep ook buiten Eritrea verblijft?
7. De minister heeft in het voornemen overwogen dat eiser heeft verklaard dat hij tot de Saho bevolkingsgroep behoort. De Saho wonen volgens de minister echter niet alleen in Eritrea, maar ook in onder meer Ethiopië. De minister heeft hierbij in de voetnoot verwezen naar [internetsite] .iii Ook wonen er gemeenschappen van etnische Saho in Soedan, aldus de minister. Er kan dus niet uitgesloten worden dat eiser uit bijvoorbeeld Ethiopië of Soedan komt.
7.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat ten onrechte wordt tegengeworpen dat er gemeenschappen van etnische Saho in Soedan wonen. Eiser verwijst daarbij naar de website die door de minister in het voornemen wordt genoemd, waaruit volgens eiser niet blijkt van informatie over etnische Saho in Soedan. Eiser stelt dat er uiteraard Saho in Soedan wonen, maar dat dit vluchtelingen uit Eritrea lijken te zijn, aldus eiser.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister slechts heeft verwezen naar de betreffende website ter onderbouwing van zijn stelling dat er ook Saho in
Ethiopiëwonen. Dat blijkt inderdaad uit die website. Het standpunt van eiser dat hiermee niet wordt onderbouwd dat er gemeenschappen van etnische Saho in
Soedanwonen is, is dan ook niet in geschil. Gezien het standpunt van eiser is evenmin in geschil dat er Saho in Soedan wonen. Dat dit vluchtelingen uit Eritrea lijken te zijn, heeft eiser op geen enkele manier onderbouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze (enkele) stellingen van eiser onvoldoende zijn om het standpunt van de minister dat de Saho bevolkingsgroep in zowel Eritrea als in Ethiopië woont, te weerleggen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is de Eritrese nationaliteit van eiser aangetoond met behulp van documenten?
8. Eiser voert aan dat hij zijn Eritrese nationaliteit met behulp van documenten heeft aangetoond. Eiser heeft op 19 juni 2025 bij zijn gronden van beroep een foto van UNCHR-documenten overgelegd. Eiser stelt dat deze UNHCR-documenten van zijn ouders zijn en aantonen dat zij vluchtelingen uit Eritrea zijn. Ook is een foto van een identiteitsdocument meegezonden. Eiser stelt dat dit identiteitsdocument van zijn moeder is. Bij brief van 21 september 2025 heeft eiser nog foto’s van twee verklaringen van de lokale autoriteiten in Soedan overgelegd. Deze verklaringen gaan, aldus eiser, over het verblijf van eiser en zijn vader in een vluchtelingenkamp in Soedan. Voorts is een foto van een identiteitskaart overgelegd waarvan eiser stelt dat deze van zijn vader uit Eritrea is.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich tijdens de zitting terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze documenten enkel in kopie zijn overgelegd en daarom niet op echtheid kunnen worden gecontroleerd. Verder heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank op beide zittingen terecht gewezen op tegenstrijdigheden in de overgelegde documenten en op tegenstrijdigheden tussen de documenten en de verklaringen van eiser. Zo heeft de minister er terecht op gewezen dat op de foto op de documenten van de UNHCR en op de identiteitskaart van de moeder verschillende personen lijken te staan. Bovendien is op de foto’s zichtbaar dat iemand waarvan eiser stelt dat het dezelfde persoon is, de ene keer een smalle neus heeft en dan andere keer een brede neus heeft. De minister mocht er volgens de rechtbank ook op wijzen de verklaring van eiser over de naam van zijn moeder en haar geboortedatum niet overeenkomt met wat op de documenten staat. Tot slot heeft de minister er niet ten onrechte op gewezen dat de verklaring van eiser over de leeftijd van zijn vader afwijkt van de leeftijd die blijkt uit de overgelegde documenten. Volgens de verklaringen van eiser is zijn vader 79 of 80 jaar oud, maar uit de overgelegde documenten zou blijken dat zijn vader 86 jaar oud is.
Tijdens de tweede zitting is (de gemachtigde van) eiser in de gelegenheid gesteld op deze tegenstrijdigheden te reageren, maar van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze documenten de nationaliteit van eiser niet onderbouwen. De beroepsgrond slaagt niet.
Indienen van de asielaanvraag
9. De minister gaat ervan uit dat een vreemdeling binnen 48 uur na binnenkomst in Nederland asiel moet aanvragen. De minister heeft eiser tegengeworpen dat hij niet zo spoedig mogelijk zijn asielaanvraag heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. Eiser heeft zich op 23 januari 2024 aangemeld voor asiel in Nederland en is vier of vijf dagen daarvoor Nederland ingereisd. Eiser verklaart dat hij probeerde om naar [plaats] te reizen, maar dat hij telkens uit de trein werd gezet wegens zwartrijden. Uiteindelijk werd de politie erbij gehaald en heeft de politie eiser een treinticket bezorgd. Deze verklaring vormt volgens de minister echter geen goede reden voor het niet op tijd melden voor asiel.
9.1.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de termijn van 48-uur niet volgt uit het Unierecht. Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat zo snel mogelijk asiel moet worden aangevraagd, maar hierbij is geen termijn genoemd. Eiser heeft erop gewezen dat volgens het HvJEU een dergelijke termijn in de nationale asielprocedure moet worden getoetst aan het effectiviteitsbeginselen en dat dit betekent dat een nationale procedureregel de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mag maken. De door de minister gehanteerde termijn moet als in strijd met het effectiviteitsbeginsel worden geacht. In dit kader verwijst eiser naar het arrest Danqua van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU).iv Volgens eiser moet ook gekeken worden naar de situatie en omstandigheden van de betrokkene. Hij wijst erop dat hij op het moment van de asielaanvraag nog minderjarig was en meent dat hij een redelijk verhaal vertelt over de gang van zaken. Omdat het maar om een paar dagen gaat, mocht redelijkerwijs niet tegengeworpen worden dat de aanvraag te laat zou zijn gedaan. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat de (te) late indiening van zijn asielaanvraag verschoonbaar is. Eiser herhaalt daarbij in het beroepschrift zijn verklaring dat hij wegens zwartrijden enkele malen uit de trein is gezet en dat dit hem niet kan worden verweten.
Eiser stelt tot slot dat het feit dat hij niet binnen 48 uur na aankomst in Nederland asiel heeft aangevraagd, niet betekent dat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is.
9.2.
De eerste vraag die voorligt is of de minister de termijn van 48 uur mag hanteren.v De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Vaststaat dat ook volgens Unierecht en de geldende jurisprudentie zo snel mogelijk een asielaanvraag ingediend moet worden. De termijn van 48 uur die de minister hanteert, is niet in strijd met het effectiviteitsbeginsel zoals eiser betoogt, omdat deze nationale procedureregel de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. Hierbij neemt de rechtbank in acht dat van een vreemdeling die stelt te vrezen voor vervolging of voor ernstige schade bij terugkeer mag worden verwacht dat hij direct zijn best gaat doen om te achterhalen waar en hoe hij dat kan doen. Met inachtneming van eventuele reistijd vanaf waar dan ook in Nederland naar [plaats] , is hiervoor een termijn van 48 uur voldoende.
9.3.
De volgende vraag is of de minister hierbij rekening moet houden met de individuele omstandigheden van die betreffende vreemdeling. De rechtbank is van oordeel dat in de 48 uur die wordt gehanteerd al ruimte bestaat voor individuele omstandigheden die maken dat een vreemdeling zich niet nog veel eerder meldt in [plaats] . Daar komt nog bij dat een asielaanvraag alsnog wordt aanmerkt als zo spoedig mogelijk gedaan als er een verschoonbare reden is waarom een vreemdeling zich niet binnen 48 uur heeft gemeld. In dat kader kunnen ook individuele omstandigheden worden betrokken.
9.4.
In dit geval betekent het voorgaande dat de rechtbank van oordeel is dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zich niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld om een asielaanvraag te doen. Uit het dossier blijkt dat eiser op 18 of 19 januari 2024 naar Nederland is gereisd en pas op 23 januari 2024 een asielaanvraag heeft ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank maken zijn persoonlijke omstandigheden niet dat hem dit niet kan worden tegengeworpen. Eiser heeft in dit verband wel gesteld dat hij minderjarig was op het moment van de aanvraag, maar hij heeft op geen enkele wijze uitgelegd waarom dat maakt dat niet van hem kan worden verwacht dat hij zijn asielaanvraag binnen de geldende termijn kon indienen. Dat hij een redelijk verhaal vertelt is daarvoor eveneens onvoldoende.
9.5.
Verder is de rechtbank met de minister van oordeel dat eiser geen goede reden heeft gegeven voor de late asielaanvraag. Aanvankelijk is gesteld dat hij meermaals heeft geprobeerd [plaats] te bereiken, maar dat hij door zwartrijden steeds de trein werd uitgezet. Ter zitting heeft eiser echter expliciet en herhaaldelijk verklaard dat hij maar één keer uit de trein is gezet toen hij op weg was naar [plaats] , dat hij die keer meteen een ticket heeft gekregen om door te reizen naar [plaats] en dat hij dat de dag erna heeft gedaan. Daarmee vervalt de reden die eiser heeft gegeven om de (te) late indiening verschoonbaar te achten. De rechtbank concludeert dan ook dat de (te) late indiening niet verschoonbaar was.
9.6.
De rechtbank stelt tot slot vast dat de minister niet heeft geconcludeerd dat het asielrelaas ongeloofwaardig is omdat hij niet zo snel mogelijk asiel heeft aangevraagd. De stelling van eiser op dat punt kan hem dan ook niet baten.
Tussenconclusie
10. De minister kon gezien het voorgaande de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig achten.
Gronden van beroep over overige asielmotieven en de beoordeling daarvan
11. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ten onrechte ongeloofwaardig zijn geacht en dat de minister daarom alle asielmotieven die door hem naar voren zijn gebracht inhoudelijk moet toetsen.
11.1.
De rechtbank heeft hiervoor reeds geoordeeld dat de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig mocht vinden. De minister is daarom niet gehouden de andere door eiser asielmotieven inhoudelijk te toetsen. Dat er nog meer asielmotieven zijn, zoals dienstplicht in Eritrea en illegale uitreis, is niet relevant. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Terugkeerbesluit
12. Eiser stelt zich op het standpunt dat het aan hem opgelegde terugkeerbesluit onrechtmatig is. Eiser verwijst hierbij naar rechtspraak van het HvJEU waaruit volgens eiser volgt dat geen terugkeerbesluit mag worden uitgevaardigd als voor de vreemdeling in het aangewezen land een reëel risico bestaat op behandeling in strijd met het verbod op refoulement. Eiser stelt dat voor hem een reëel risico bestaat op ernstige schade bij terugkeer naar Eritrea. Eiser is namelijk illegaal uitgereisd. Daarnaast is eiser bij terugkeer in Eritrea dienstplichtig. Volgens eiser zijn dit zwaarwegende en gegronde redenen om aan te nemen dat hij in geval van terugkeer naar Eritrea wordt blootgesteld aan een reëel risico van onmenselijke of vernederende behandeling. In zulke gevallen kan volgens het HvJEU, zolang dat risico blijft bestaan, geen besluit tot terugkeer naar dat landvi worden uitgevaardigd.vii Eiser stelt dat het terugkeerbesluit onrechtmatig is, omdat de minister dit risico niet heeft onderzocht.
12.1.
Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het risico op schending van het non-refoulement in beginsel slechts realistisch kan worden onderzocht tegen de achtergrond van een aannemelijke nationaliteit en herkomst van een vreemdeling.viii De rechtbank heeft hiervoor reeds geoordeeld dat de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig mocht vinden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister in dit geval in het bestreden besluit geen inhoudelijke en volledige en geactualiseerde beoordeling hoefde te maken van het risico dat eiser loopt op schending van het non-refoulement beginsel bij terugkeer.
12.2.
Tot slot heeft eiser ter zitting gesteld dat een terugkeerbesluit moet vermelden waarnaar een vreemdeling moet terugkeren. In dit geval is Eritrea opgenomen als land waarnaar eiser moet terugkeren. Echter, de minister acht eisers nationaliteit ongeloofwaardig. Bovendien zegt de minister nu juist dat de Saho ook in Soedan verblijven. Daarom vindt de minister dat niet kan worden uitgesloten dat hij Soedanees is. Dan kan de minister in het terugkeerbesluit niet opnemen dat hij terug moet naar Eritrea.
12.3.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat dit betoog faalt, nu de Afdeling expliciet heeft overwogen dat de minister ook landen van terugkeer kan noemen waarmee een vreemdeling zelf heeft gesteld een band te hebben. Als de minister concludeert dat de vreemdeling zijn nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt, mag hij toch de door de vreemdeling gestelde land(en) van nationaliteit of herkomst in het terugkeerbesluit noemen als land(en) van terugkeer. In een terugkeerbesluit kunnen dus landen van terugkeer worden opgenomen waarvan de minister in de asielprocedure heeft vastgesteld dat de nationaliteit en herkomst van de vreemdeling uit die landen niet aannemelijk is.ix

Conclusie en gevolgen

12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
12.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
zaaknummer: NL25.25994
10
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 9 december 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
i Vreemdelingenwet 2000.
ii Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000.
iii [internetsite]
iv HvJEU, 20 oktober 2016, C-429/15, m.n. in JV 2016/286.
v Zie artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000 en paragraaf C1/4.3.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
vi HvJEU, 6 juli 2023, C-663/21, ECLI:EU:C:2023:540 (
AA), r.o. 50.
vii HvJEU, 2 november 2022, C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913
0(
VerwijderingMedicinale cannabis), r.o. 58.
viii Afdeling, 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1970.
ix Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1970.

Documentcode: [Documentcode]