ECLI:NL:RBDHA:2025:27533
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van gevaar bij terugkeer naar Turkmenistan
Eiser, een Turkmeense man, vroeg asiel aan omdat hij uitgehuwelijkt zou zijn aan een vrouw waar hij niet mee wil trouwen en vreest voor eerwraak van zijn familie bij weigering. De minister wees de aanvraag af omdat eiser volgens de minister de bescherming van Turkmeense autoriteiten kan inroepen en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit in zijn geval gevaarlijk of zinloos is.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft aangenomen dat eiser in het algemeen bescherming kan krijgen van de Turkmeense autoriteiten, mede op basis van internationale verdragen en het Turkmeense familiewetboek. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd waarom hij specifiek geen bescherming kan vragen, ondanks zijn angst voor eerwraak.
Er is een motiveringsgebrek vastgesteld omdat de minister niet volledig is ingegaan op eisers verklaring dat zijn familie via registratie bij terugkeer zijn verblijfplaats kan achterhalen. Dit gebrek wordt echter gepasseerd omdat eiser hierdoor niet is benadeeld: de minister mocht aannemen dat bescherming mogelijk is en dat eiser zich elders in Turkmenistan kan vestigen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.