ECLI:NL:RBDHA:2025:27533

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
NL25.4611
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 3.37d VVArt. 29 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van gevaar bij terugkeer naar Turkmenistan

Eiser, een Turkmeense man, vroeg asiel aan omdat hij uitgehuwelijkt zou zijn aan een vrouw waar hij niet mee wil trouwen en vreest voor eerwraak van zijn familie bij weigering. De minister wees de aanvraag af omdat eiser volgens de minister de bescherming van Turkmeense autoriteiten kan inroepen en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit in zijn geval gevaarlijk of zinloos is.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft aangenomen dat eiser in het algemeen bescherming kan krijgen van de Turkmeense autoriteiten, mede op basis van internationale verdragen en het Turkmeense familiewetboek. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd waarom hij specifiek geen bescherming kan vragen, ondanks zijn angst voor eerwraak.

Er is een motiveringsgebrek vastgesteld omdat de minister niet volledig is ingegaan op eisers verklaring dat zijn familie via registratie bij terugkeer zijn verblijfplaats kan achterhalen. Dit gebrek wordt echter gepasseerd omdat eiser hierdoor niet is benadeeld: de minister mocht aannemen dat bescherming mogelijk is en dat eiser zich elders in Turkmenistan kan vestigen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4611
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A. Heida),

en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. A.M.M. van Dooren).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 30 januari 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Turkmeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1994. De minister heeft met het besluit van 6 januari 2025 (het bestreden besluit) deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Raouf als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Asielrelaas
2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij uitgehuwelijkt is aan een vrouw, maar hij niet met deze vrouw wil trouwen. Eiser vreest dat als hij niet met deze vrouw trouwt, zijn vader en broers eiser iets zullen aandoen. Hij vreest slachtoffer te worden van eerwraak. Bescherming vragen aan de autoriteiten is volgens eiser niet mogelijk en daarom heeft eiser dat niet gedaan.

Het bestreden besluit

3. In het asielrelaas van eiser heeft de minister de volgende asielmotieven beoordeeld:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen met familie vanwege een gedwongen uithuwelijking
4. De minister acht asielmotief 1 geloofwaardig. Ten aanzien van asielmotief 2 heeft de minister de geloofwaardigheid daarvan in het midden gelaten en enkel getoetst op zwaarwegendheid.1 Over de zwaarwegendheid heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser de bescherming van de Turkmeense autoriteiten kan inroepen en eiser daarom kan terugkeren naar Turkmenistan. De asielmotieven van eiser leiden daarom volgens de minister niet tot gegronde vrees bij terugkeer.
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft tegen verschillende overwegingen beroepsgronden ingediend. De rechtbank bespreekt deze beroepsgronden hierna.
Effectieve bescherming
6. Eiser stelt dat de minister onvoldoende gewicht heeft toegekend aan zijn verklaringen over waarom hij geen bescherming heeft geprobeerd te zoeken bij de Turkmeense autoriteiten. Eiser loopt bij het doen van aangifte gevaar, omdat hij hierdoor de familie-eer zal raken. Dat is immers waar het asielrelaas van eiser om draait. Eiser verwijst naar het landenrapport van Bertelsmann Stifung van 2024. Hieruit blijkt volgens eiser dat er in Turkmenistan sprake is van een praktijk van gearrangeerde huwelijken en de vrouw daaraan gebonden is, terwijl vrouwen geen instemming hebben bij een dergelijk huwelijk. Daarnaast staat in het rapport dat er in Turkmenistan sprake is van systematische schending van burgerrechten2. Hierdoor kan niet zonder meer effectieve bescherming van de autoriteiten worden ingeroepen. Ook hebben vrouwen vaak geen inspraak door de patriarchale samenleving in Turkmenistan. Hieruit blijkt dat er niet wordt opgetreden tegen uithuwelijking. De bronnen waar de minister naar verwijst in het kader van uithuwelijking gaan over kind-huwelijken, waardoor deze niet van toepassing zijn op eiser. Dat uit het familiewetboek van Turkmenistan blijkt dat er vrijwillige instemming nodig is voor een huwelijk, maakt nog niet dat dit ook gehandhaafd wordt. Het eerdergenoemde landenrapport veronderstelt juist het tegenovergestelde.
7. De rechtbank overweegt het volgende. Het is aan de minister om eerst te onderzoeken of in het land van herkomst in het algemeen bescherming wordt geboden door de autoriteiten aldaar. Is dat het geval, is het vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming in zijn geval gevaarlijk, dan wel bij voorbaat zinloos is. Als een vreemdeling dat niet aannemelijk kan maken, kan enkel het te vergeefs inroepen van de bescherming bij de autoriteiten leiden tot de conclusie dat door de vreemdeling aannemelijk is gemaakt dat de autoriteiten niet bereid zijn of in staat zijn bescherming te bieden.3
8. De minister heeft zich in het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser in zijn algemeenheid de bescherming van de Turkmeense autoriteiten kan inroepen. De minister heeft hierbij verwezen naar openbare bronnen waaruit blijkt dat de Turkmeense Staat zich inzet om gedwongen huwelijken tegen te gaan. Verder heeft Turkmenistan zich gecommitteerd aan het beëindigen van kinder-, vroege en gedwongen huwelijken tegen 2030 in lijn met doelstelling 5.3 van de Duurzame ontwikkelingsdoelen. Ook was Turkmenistan mede-indiener van VN-resoluties over kinder-, vroege en gedwongen huwelijken in meerdere jaren en trad Turkmenistan toe tot het Verdrag inzake de Uitbanning van Alle Vormen van Discriminatie van Vrouwen (CEDAW), waarbij Staten worden verplicht om te zorgen dat huwelijken gebaseerd zijn op vrije en volledige instemming van beide partijen. Ook mannen worden hierdoor beschermd tegen situaties van gedwongen huwelijken. Daarnaast blijkt uit het Turkmeense familiewetboek dat vrijwillige instemming van beide partners een voorwaarde is voor een huwelijk. Hiermee heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser in zijn algemeenheid de bescherming van de Turkmeense autoriteiten kan inroepen.
1. Zie informatiebericht 2022/102.
2 In het rapport staat dat grondwettelijke bescherming van privacy en toegang van burgers tot justitie en het recht op effectieve juridische bescherming en eerlijk proces niet zijn gewaarborgd.
3 Zie artikel 3.37d, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV), paragraaf C2/3.4 van de Vc en de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2015, ECLI:NL: RVS:2015:2087.
9. Het is dan aan eiser om aannemelijk te maken dat het in zijn specifieke geval niet mogelijk is om de bescherming van de Turkmeense autoriteiten in te roepen. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser dit onvoldoende heeft gedaan. Eiser heeft immers verklaard dat hij geen pogingen heeft ondernomen om de hulp van de Turkmeense autoriteiten in te roepen en zegt dit ook niet te zullen doen. Eiser heeft verklaard dat hij zijn familie niet wil aangeven, en mocht hij zijn familie toch aangeven, zullen de autoriteiten eiser niet helpen. Deze enkele verklaring is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat de Turkmeense autoriteiten eiser niet zullen helpen en dat het bij voorbaat zinloos is om bescherming van de autoriteiten in te roepen. Ook de verwijzing naar het landenrapport van Bertelsmann Stifung kan eiser niet baten. In het door eiser genoemde rapport staat weliswaar dat er in Turkmenistan sprake is van het systematisch schenden van burgerrechten, maar dit is enkel algemene informatie. Niet is gebleken waarom dit ook in het geval van eiser het geval zal zijn. In dit landenrapport staat ook dat er sprake is van een sterk patriarchale samenleving, waardoor vrouwen weinig te zeggen hebben. Eiser is een man, waardoor de verwijzing naar dit deel van het landenrapport niet op gaat. Eiser heeft onvoldoende uitgelegd waarom dit wel van toepassing zal zijn op hem. De beroepsgrond slaagt niet.

Vrees bij terugkeer

10. Eiser stelt dat er sprake is van een motiveringsgebrek, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat eisers familie hem bij terugkeer in Turkmenistan zal vinden. Eiser heeft hierover verklaard dat hij geregistreerd zal worden op het moment dat hij Turkmenistan binnen komt. Op het vliegveld zullen gelijk eisers gegevens en woonplaats doorgegeven worden aan het politiebureau. Op dat moment weten de Turkmeense autoriteiten dat eiser in het land is en kan zijn familie er achter komen dat hij in Turkmenistan is.4 Deze verklaring van eiser heeft de minister niet volledig geloofwaardig bevonden. Nu de minister de geloofwaardigheid van het asielmotief van eiser in het midden heeft gelaten, moet de minister bij de beoordeling van de zwaarwegendheid uitgaan van alle verklaringen van eiser over zijn asielmotieven en dus ook zijn verklaring dat zijn familie er achter zal komen dat en waar hij in Turkmenistan is. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 augustus 20225. De verklaringen van eiser over de registratie bij aankomst in Turkmenistan en over het feit dat zijn familie bekend zal worden met zijn woonplaats heeft de minister niet gevolgd, terwijl de minister dit wel had moeten doen gezien de uitspraak van de Afdeling.
4 Zie pagina 7 van het aanvullend gehoor.
11. De rechtbank overweegt het volgende. De minister beoordeelt6 de geloofwaardigheid van feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit, herkomst en asielmotieven, tenzij de minister reden ziet om de feiten en omstandigheden enkel te beoordelen op zwaarwegendheid.7 Beoordeelt de minister enkel de zwaarwegendheid, dan laat hij kenbaar de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de asielmotieven in het midden. Deze werkwijze is neergelegd in informatiebericht 2022/102, dat is opgesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022.8
12. Als de minister de geloofwaardigheid van een asielmotief in het midden laat, moet de rechtbank dit asielmotief toetsen alsof de minister de geloofwaardigheid van dit asielmotief heeft aangenomen. Het is daarbij noodzakelijk om te weten welke feiten en omstandigheden de minister tot uitgangspunt heeft genomen bij zijn beoordeling van de zwaarwegendheid van het asielrelaas en de motivering daarvan in het bestreden besluit. De verklaringen van een vreemdeling die verband houden met zijn asielmotieven vormen het uitgangspunt van de beoordeling van de zwaarwegendheid van het asielrelaas. De minister kan hierbij geen onderscheid maken tussen deze verklaringen. De minister kan niet van een deel van de verklaringen de geloofwaardigheid in het midden laten en een ander deel de verklaringen geloofwaardig of ongeloofwaardig achten. Dit kan alleen in de uitzonderlijke situatie dat het gaat om strikt gescheiden asielmotieven.9
13. In het geval van eiser heeft de minister in het voornemen en in het bestreden besluit overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat eisers familie hem daadwerkelijk zal kunnen vinden en heeft eiser volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat de registratie bij aankomst in Turkmenistan in de praktijk direct zal leiden tot een melding bij eisers familie of dat de politie eisers familie actief informeert over eisers woonplaats. De minister heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat het inderdaad onjuist is dat deze overwegingen in het voornemen en bestreden besluit zijn gemaakt en dat uitgegaan had moeten worden van deze verklaringen van eiser. Dit leidt volgens de minister echter niet tot een motiveringsgebrek, omdat de minister ook heeft overwogen dat eiser bij terugkeer naar Turkmenistan de bescherming van de Turkmeense autoriteiten kan inroepen. Daarnaast kan eiser zich elders in Turkmenistan vestigen, aldus de minister.
14. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval wel sprake is van een motiveringsgebrek. De minister heeft ten aanzien van een deel van het asielmotief van eiser de aannemelijkheid beoordeeld over de vrees bij terugkeer, terwijl de geloofwaardigheid van dit asielmotief in het midden is gelaten. In dit geval had de minister moeten uitgaan van eisers verklaringen over de registratie en eisers verklaring dat zijn familie er achter kan komen dat hij is teruggekeerd naar Turkmenistan en waar hij woont. Dit heeft de minister niet gedaan, waardoor er sprake is van een motiveringsgebrek.
6 In het kader van de toets aan artikel 29, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
7 Zie paragraaf C1/4.1, vijfde lid, van de Vreemdelingencirculaire (Vc).
9 Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333.
15. De rechtbank ziet echter aanleiding om het motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat eiser door dit gebrek niet is benadeeld. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de minister zich namelijk niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het voor eiser wel mogelijk is om de bescherming van de Turkmeense autoriteiten in te roepen als hij problemen ervaart met zijn familie. Ook heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zich elders in Turkmenistan kan vestigen.
16. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
17. In de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakt proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.814,-, bestaande uit één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en vermenigvuldigd met een wegingsfactor 1.

Conclusie en gevolgen

18. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Aanleiding bestaat om de minister te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
02 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.