Eiser vroeg op 24 april 2024 een visum voor kort verblijf aan voor familiebezoek en een bruiloft. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag op 10 mei 2024 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 4 oktober 2024. Eiser ging in beroep tegen deze afwijzing.
De rechtbank oordeelt dat de garantstelling van de referent, die zowel logiesverstrekking als financiële garanties voor vijf jaar omvat, niet kenbaar is betrokken in de besluitvorming. Dit is in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De eerdere bezwaren over de familierechtelijke relatie en economische binding zijn door verweerder ter zitting laten vallen of onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht aan eiser. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.