Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:27637

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
NL25.52815 en NL25.52816
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de Grondrechten van de Europese UnieArt. 8:72 AwbArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering asielaanvraag wegens overdracht aan Spanje op grond van Dublinverordening

Eiser, een asielzoeker uit Jamaica, diende op 16 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister weigerde deze in behandeling te nemen omdat Spanje verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening, mede omdat Spanje eerder een visum aan eiser had verleend. Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kon worden toegepast vanwege tekortkomingen in het Spaanse asiel- en opvangsysteem en zijn bijzondere kwetsbaarheid door medische en traumatische omstandigheden.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje nog steeds geldt, mede gelet op eerdere uitspraken en de landeninformatie. De medische situatie van eiser, waaronder hiv, prostaatkanker en psychische problematiek, werd beoordeeld, maar de rechtbank vond geen bewijs dat deze omstandigheden een overdracht aan Spanje onaanvaardbaar maken.

Eiser voerde tevens aan dat de minister artikel 17 van Pro de Dublinverordening had moeten toepassen vanwege de onevenredige hardheid van overdracht. De rechtbank constateerde echter een motiveringsgebrek in het bestreden besluit omdat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de psychische problematiek van eiser. Dit motiveringsgebrek werd hersteld in de beroepsfase, waarna de rechtbank het beroep gegrond verklaarde maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand liet.

De voorlopige voorziening om overdracht te verbieden werd afgewezen. De minister werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser. De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige motivering bij toepassing van de Dublinverordening, vooral bij kwetsbare asielzoekers.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.52815 (beroep)
NL25.52816 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1966, van Jamaicaanse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. G.E. Jans),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Inleiding

1. Met het besluit van 27 oktober 2025 (bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt de overdracht aan Spanje te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft de zaken op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, meneer J. Ankoman als tolk in de Engelse taal en de gemachtigde van de minister. Een vriend van eiser, [persoon] , zat als publiek in de zittingszaal.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
2. Eiser heeft op 16 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend. De minister heeft de aanvraag in het bestreden besluit niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw [1] , omdat Spanje daarvoor op grond van de Dublinverordening [2] verantwoordelijk is. Uit EU-VIS [3] is namelijk gebleken dat Spanje aan eiser een visum heeft verleend, geldig van 26 september 2025 tot 24 december 2025. Nederland heeft daarom op 17 oktober 2025 de autoriteiten van Spanje verzocht om eiser over te nemen. [4] Op 24 oktober 2025 zijn de autoriteiten van Spanje hiermee akkoord gegaan.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
Standpunt eiser
3. Eiser voert allereerst aan dat in zijn geval ten aanzien van Spanje niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser stelt dat Dublinclaimanten problemen ervaren met de toegang tot de asielprocedure en dat zij in Spanje geen opvang zullen krijgen, maar op straat terecht zullen komen. Eiser stelt daarnaast dat de Spaanse Dublineenheid aangeeft geen garanties voorafgaand aan een inkomende overdracht te geven. Eiser verwijst in dit verband naar een AIDA-rapport [5] van 12 mei 2025, de samenvatting van Vluchtelingenwerk Nederland hiervan van 27 augustus 2025 en de inbreukprocedure die is gestart door de Europese Commissie. Verder stelt eiser in een extra kwetsbare positie te zitten en doet daarmee een beroep op het arrest Tarakhel [6] van het EHRM. De medische situatie van eiser – eiser is hiv-positief en lijdt aan aambeien, hoge bloeddruk en prostaatkanker – in combinatie met de ernstig traumatische gebeurtenissen in Jamaica maakt eiser namelijk bijzonder kwetsbaar. Volgens eiser had de minister gelet op zijn kwetsbaarheid en de tekortkomingen in het Spaanse opvangsysteem individuele garanties moeten vragen aan de Spaanse autoriteiten.
Het oordeel van de rechtbank
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielverzoeken hun internationale verplichtingen zullen nakomen. [7] Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertonen dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM [8] of artikel 4 van Pro het Handvest [9] . Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals bedoeld in het arrest Jawo. [10]
3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. Bij uitspraak van 22 augustus 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, gemotiveerd overwogen dat nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje. [11] In die zaak was onder meer hetzelfde AIDA-rapport van 2025 ingebracht als in deze zaak. De rechtbank kwam in die zaak tot de conclusie dat er weliswaar problemen waren in Spanje, maar dat niet aannemelijk is geworden dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Deze uitspraak is in hoger beroep door de Afdeling [12] bevestigd. [13] De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen. Uit wat eiser aanvoert valt verder niet af te leiden dat de asielprocedure niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Nu mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, kunnen mogelijke klachten over de opvang in Spanje aan de autoriteiten aldaar worden voorgelegd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in Spanje voor Dublinclaimanten niet kan of bij voorbaat zinloos is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is voorts niet gebleken dat bij eiser sprake is van een zodanig bijzondere kwetsbaarheid dat de minister ondanks het bestaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel toch voorafgaand aan de overdracht individuele garanties moet vragen aan Spanje. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de medische zorg die eiser op dit moment krijgt hiv-remmende medicatie betreft. Eiser is verder behandeld voor zijn prostaatkanker in Jamaica en krijgt nu halfjaarlijkse nacontroles. Daarnaast geeft eiser aan dat hij getraumatiseerd is door het zwaar lichamelijk letsel wat hem in Jamaica in 2016 is aangedaan vanwege zijn homoseksuele gerichtheid en de moord op zijn partner in 2024. Deze ervaringen leveren hem flashbacks en slaapproblemen op, hiervoor krijgt hij slaapmedicatie. Gelet op de door hem gerapporteerde geestelijke situatie merkt de rechtbank op dat de overdracht naar Spanje mogelijk zwaar zal zijn voor eiser, maar dat dat niet maakt dat eiser terecht zal komen in een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige situatie. Zeker gelet op het feit dat eiser sinds hij in Nederland is nog geen behandeling voor zijn psychische problematiek heeft ondergaan en zich in de afgelopen maanden geen situatie zich heeft voorgedaan waaruit blijkt dat hij op dit vlak bijzondere kwetsbaar is. Het is verder uit de aangehaalde landeninformatie niet gebleken dat ten aanzien van Spanje niet langer van het uitgangspunt, dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en dat die ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten, kan worden uitgegaan. Daarnaast heeft de minister verwezen naar zijn werkwijze, in overeenstemming met artikel 32 van Pro de Dublinverordening, waarmee hij bij toestemming van eiser medische informatie aan de Spaanse autoriteiten kan verzenden over de bijzondere behoeften van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
Standpunt van eiser
4. Eiseres voert tot slot aan dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening, omdat de overdracht van eiseres aan Spanje van een onevenredige hardheid getuigt. De medische situatie van eiser, de traumatische ervaringen van eiser in Jamaica en het hebben van een sociaal netwerk in Nederland, maakt dat de minister eisers beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening had moeten honoreren. Eiser meent dat in ieder geval niet toereikend is gemotiveerd waarom bij deze stand van zaken een beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet wordt gehonoreerd.
Het oordeel van de rechtbank
4.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in samenhang met paragraaf C2/5 van de Vc [14] kan de minister onverplicht een asielaanvraag in behandeling nemen indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Het is aan de minister om te motiveren waarom hij op basis van de persoonlijke omstandigheden die de vreemdeling aanvoert al dan niet aanleiding ziet om van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik te maken. [15] Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de rechtbank deze beoordeling van de minister terughoudend dient te toetsen. [16]
4.2.
De minister heeft zich in dit geval op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn medische omstandigheden maken dat hij niet kan worden overgedragen aan Spanje. Uit de overgelegde medische documenten blijkt volgens de minister ook niet dat eiser op dit moment een medische behandeling ondergaat. Daarnaast meent de minister dat het hebben van sociaal netwerk in Nederland dit niet anders maakt en dat de gestelde redenen voor vertrek uit het land van herkomst van herkomst niet in behandeling zijn in de huidige procedure.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit bij de beoordeling of toepassing wordt gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening de door eiser aangevoerde psychische omstandigheden onvoldoende kenbaar heeft meegewogen. De minister heeft namelijk in het bestreden besluit enkel de fysieke klachten van eiser meegewogen en heeft de mentale problematiek niet zichtbaar meegewogen. Het bestreden besluit bevat daarom een motiveringsgebrek. Het beroep is om die reden gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De minister heeft op de zitting namelijk alsnog een standpunt ingenomen over de psychische problemen van eiser. De minister wijst er niet ten onrechte op dat niet is gebleken dat de psychische omstandigheden van eiser dusdanig zijn dat zijn overdracht van onevenredige hardheid getuigt en dat eveneens niet uit de landeninformatie is gebleken dat hier in Spanje geen adequate zorg voor is. De minister heeft hiermee en met de onder 4.2. genoemde motivering naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de door eiser genoemde omstandigheden, ook in hun samenhang bezien, geen aanleiding hadden moeten geven voor de conclusie dat de overdracht van eiser aan Spanje van een onevenredige hardheid getuigt.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond door het in rechtsoverweging 4.3 geconstateerde motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb [17] de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten omdat het motiveringsgebrek door de minister in beroep is hersteld.
5.1.
Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist bestaat er geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
5.2.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-, en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank, in de zaak met zaaknummer NL25.52815:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
De voorzieningenrechter, in de zaak met zaaknummer NL25.52816:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.721,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar uitgesproken en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Het Visum Informatiesysteem van de Europese Unie.
4.Op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening.
5.‘Country Report: Spain, Update 2024’ van Asylum Information Database (AIDA).
6.Arrest van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
7.Dit wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd.
8.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
9.Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
10.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218.
12.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
13.Zie de uitspraak van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4183.
14.Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
15.Zie de uitspraak van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, overweging 7.2.
16.Zie de uitspraak van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, overweging 4 en de uitspraak van 25 februari 2025 ECLI:NL:RVS:2025:717, overweging 7.
17.Algemene wet bestuursrecht.