ECLI:NL:RBDHA:2025:2849

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2025
Publicatiedatum
26 februari 2025
Zaaknummer
NL24.38370
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 14 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.6a Vreemdelingenbesluit 2000Artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte vervolgingsgevaar in Iran

Eiser, een Iraanse staatsburger, diende op 29 maart 2022 een asielaanvraag in, die de minister op 6 september 2024 afwees. De rechtbank behandelde het beroep op 18 februari 2025 en oordeelde dat de minister de afwijzing terecht baseerde op onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar.

Eiser stelde dat hij vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij een demonstratie en zijn afwending van de islam vervolgd zou worden. De minister achtte de identiteit en nationaliteit geloofwaardig, maar vond de verklaringen over bezoek aan zijn vader door autoriteiten ongeloofwaardig. De rechtbank bevestigde dat de minister de verklaringen terecht ongeloofwaardig vond en dat er geen concrete aanwijzingen waren voor een reëel risico op ernstige schade.

Daarnaast wees de rechtbank de klachten over het gehoor en het tijdstip van het voornemen af, en oordeelde dat de minister zorgvuldig heeft gehandeld. Ook werd het beroep op een reguliere verblijfsvergunning afgewezen omdat de minister dit ambtshalve niet hoefde te toetsen. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38370

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum]
van Iraanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. D.J. Halbesma ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 29 maart 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 september 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Ook heeft de minister geweigerd eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw te verlenen.
1.1.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de ongegrondverklaring van de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, Vw. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielrelaas het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij de Iraanse nationaliteit heeft en tot de Fars bevolkingsgroep behoort. Eiser is in 2019 opgepakt en vastgezet vanwege toegedichte betrokkenheid bij een demonstratie. Daarna is eiser vrijgelaten onder de voorwaarde dat hij Teheran niet mocht verlaten. Ook heeft eiser verklaard dat hij geen moslim meer is en dat hij het geloof van zijn voorouders aanhangt. Eiser vreest bij terugkeer voor de Iraanse overheid, de inlichtingendienst (Sepah) en de politie. Eiser heeft Iran in 2021 verlaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
-identiteit, nationaliteit en herkomst;
-problemen vanwege toegedichte betrokkenheid bij een demonstratie;
-afwending van de islam en het geloof in één God.
4.1.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De problemen vanwege toegedichte betrokkenheid bij een demonstratie zijn deels geloofwaardig geacht: dat eiser is opgepakt vanwege toegedichte betrokkenheid bij een demonstratie en na enkele dagen is vrijgelaten, is geloofwaardig geacht; maar de verklaringen over het bezoek aan de vader van eiser door de Iraanse autoriteiten ten tijde van de beweging ‘vrouw vrijheid leven’, de ondervraging en de veronderstelling van eiser dat ze voor hem kwamen, zijn ongeloofwaardig geacht. De afwending van de islam en het geloof in één God (Erfan) is geloofwaardig geacht.
4.2.
Na het doortoetsen van het geloofwaardig geachte eerste en derde asielmotief en het geloofwaardig geachte deel van het tweede asielmotief komt de minister tot de conclusie dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens de minister heeft eiser zijn vrees voor vervolging en reëel risico op ernstige schade vanwege de afwending van de islam en zijn nieuwe geloof, niet aannemelijk gemaakt.
Beroepsgronden
Over het als herhaald en ingelast beschouwen van de zienswijze
5. De rechtbank overweegt dat eisers stelling dat zijn zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijzen. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van verweerder op de zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook alleen richten op wat eiser in beroep daarover heeft aangevoerd. De rechtbank verwijst ter onderbouwing hiervan naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [1] .
Is het gehoor zorgvuldig geweest?
6. Eiser voert aan dat aan het gehoor zorgvuldigheidsgebreken kleven. Er waren voorafgaand aan het gehoor vervoersproblemen, waardoor eiser veel stress had en zich niet goed kon uiten. De ingelaste pauzes waren niet bevorderlijk voor zijn concentratie. Eiser kon niet uitrusten omdat hij in een wachtkamer zat met nog 50 andere personen. Daardoor was het gehoor met name aan het eind vermoeiend en is aan eiser niet voldoende gelegenheid gegeven om zich goed te doen horen.
6.1.
De minister vindt dat het gehoor zorgvuldig is verlopen. Er zijn pauzes ingelast en er is rekening gehouden met de medische omstandigheden van eiser. Er is verder niet gebleken van omstandigheden waaronder eiser zijn asielrelaas niet volledig naar voren heeft kunnen brengen.
6.2.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank volgt het standpunt van de minister. Het verslag van het nader gehoor biedt geen aanknopingspunt voor de conclusie dat het combigehoor van 19 en 20 juni 2024 onzorgvuldig is verlopen dan wel dat eiser vanwege de door hem gestelde omstandigheden onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om de gronden van zijn asielverzoek volledig naar voren te brengen. Uit het verslag blijkt naar het oordeel van de rechtbank een gerechtvaardigde kritische houding van de gehoormedewerker, die soms aangaf dat eiser volgens hem geen antwoord gaf op de gestelde vragen en die zijn vragen regelmatig opnieuw heeft geformuleerd waardoor eiser in de gelegenheid werd gesteld een nadere toelichting op de vragen en zijn asielrelaas te geven. Van die gelegenheid heeft eiser blijkens het verslag ook gebruik gemaakt. Aan het eind van het gehoor van 19 juni 2024 is eiser meegedeeld dat het daarbij wordt gelaten en wordt eiser ook de vraag gesteld hoe hij het gehoor heeft ervaren. Daarop antwoordde eiser dat de gehoormedewerker heel rustig was en rust uitstraalde, dat het gehoor goed was gegaan en dat hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen [2] . Uit de antwoorden op de gestelde vragen blijkt voorts niet dat eiser de vragen niet begreep, dat anderszins misverstanden zijn ontstaan of dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad zijn antwoorden toe te lichten. Tijdens het tweede gehoor op 20 juni 2024 wordt eiser tussendoor gevraagd hoe het met hem gaat, hoe hij zich voelt en of hij nog hoofpijnklachten ervaart, waarop eiser antwoordt dat hij zich goed voelt [3] . Er wordt een pauze ingelast door de gehoormedewerker om te kijken of alles is genoteerd, eiser krijgt de vraag voorgelegd of er nog iets voor hem gedaan kan worden om ervoor te zorgen dat eiser het gevoel heeft dat hij alles kan vertellen en dat het gesprek vertrouwelijk wordt behandeld [4] , waarna er weer een pauze wordt ingelast, en hij weer de gelegenheid krijgt om nog iets te verklaren wat hij belangrijk vindt [5] . Aan het eind van gehoor verklaart eiser dat de tolk erg goed was en dat de gestelde vragen heel duidelijk waren [6] . Gelet op al deze omstandigheden acht de rechtbank met de minister het gehoor voldoende zorgvuldig. De minister heeft in zijn besluitvorming de verklaringen zoals die zijn afgelegd in het gehoor dan ook mogen gebruiken.
Is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek omdat het voornemen kort voor de vakantie van zijn gemachtigde is verzonden?
7. Eiser voert aan dat het voornemen als te vroeg en daarom als niet verzonden moet worden beschouwd. Het voornemen van 19 juli 2024 is in de vakantie van eisers gemachtigde verzonden, terwijl er tijdig is doorgegeven dat de vakantie in de periode van 20 juli 2024 tot en met 11 augustus 2024 was. De gemachtigde van eiser was drie weken weg en had daardoor onvoldoende tijd om het voornemen met eiser te bespreken. Er moest noodgedwongen om uitstel worden verzocht. Het besluit komt op dit punt voor vernietiging in aanmerking en er moet een nieuw voornemen worden uitgebracht.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de minister heeft aangegeven dat het niet de schoonheidsprijs verdiend om het voornemen één dag voor de vakantie van eisers gemachtigde te versturen. Maar de rechtbank stelt vast dat eiser tot twee maal toe om uitstel heeft verzocht, welk uitstel tot twee keer toe is verleend. De zienswijze is na 12 augustus 2024 uiteindelijk twee en een halve week later op 30 augustus 2024 ingediend. Verder heeft eiser niet nogmaals om uitstel verzocht. Gelet op al deze omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank dat eiser voldoende tijd heeft gehad voor het indienen van de zienswijze en is er in dit verband geen sprake van een zorgvuldigheidsgebrek.
Heeft de minister eisers verklaringen over het bezoek aan zijn vader door de Iraanse autoriteiten ten tijde van de beweging ‘vrouw vrijheid leven, de ondervraging en eisers veronderstelling dat ze voor hem kwamen, ongeloofwaardig mogen vinden?
8. Eiser voert aan dat, gelet op wat hij nu te weten is gekomen, het zeer aannemelijk is dat zijn vader niet over andere dingen wil spreken dan de gewone zaken en dat het heel goed mogelijk is dat als hij teveel zegt zijn vader daardoor gevaar zal lopen in Iran, omdat het regelmatig voorkomt dat telefoons worden afgeluisterd.
8.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft er niet ten onrechte op gewezen dat eiser summiere verklaringen over het bezoek van zijn vader heeft afgelegd, nu hij daarover zeer weinig heeft verteld. De minister heeft in dit verband van zwaarwegend belang mogen vinden dat eiser niet weet wie zijn vader heeft bezocht [7] , waar naartoe hij is meegenomen, welke vragen er aan zijn vader zijn gesteld [8] en wat de reden was voor het bezoek aan hem [9] . Een vermoeden dat de telefoon wordt afgeluisterd heeft de minister ook onvoldoende mogen vinden, temeer nu de beweging ‘vrouw vrijheid leven’ in 2022 is opgekomen en eiser sinds die tijd pogingen heeft kunnen ondernemen om meer informatie van zijn gezin of familie te kunnen krijgen, maar dat niet heeft gedaan. Dit heeft de minister eiser mogen tegenwerpen. Bij het voorgaande mag de minister eiser ook tegenwerpen dat zijn verklaringen over het gestelde bezoek door de Iraanse autoriteiten, anderhalf jaar na zijn definitieve vertrek en waarbij ze op zoek zouden zijn naar hem, onlogisch zijn, nu eiser een maand na zijn vrijlating Iran legaal heeft kunnen verlaten en daarna Iran in 2020 en in 2021 legaal is in- en uitgereisd zonder noemenswaardig problemen. Deze omstandigheden duiden niet op een negatieve belangstelling van de Iraanse overheid. De minister heeft eisers asielmotief op dit onderdeel dan ook ongeloofwaardig mogen vinden.
Heeft de minister terecht geen gegronde vrees voor vervolging aangenomen vanwege de toegedichte betrokkenheid bij de demonstratie in 2019?
9. Eiser betoogt dat het heel goed mogelijk is dat zijn kwestie in Iran tijdelijk opzij is gelegd en dat het later weer is opgepakt door de autoriteiten, nu er veel demonstraties hebben plaatsgevonden en veel mensen zijn gearresteerd. Daarom is het ook niet onbegrijpelijk dat eiser Iran twee keer heeft kunnen verlaten terwijl er een onderzoek naar hem liep. Eiser wijst ter onderbouwing na zijn standpunt op volgens eiser vergelijkbare kwesties van bekende Nederlanders waarnaar een strafrechtelijk onderzoek loopt en die ook gewoon mogen reizen. Een dergelijke situatie kan ook bij eiser aan de orde zijn geweest.
9.1.
Ook deze beroepsgrond slaat niet. De minister heeft zich terecht op standpunt gesteld dat eiser de door hem gestelde vrees voor vervolging niet aannemelijk heeft gemaakt. Daartoe heeft de minister van belang kunnen vinden dat de laatste keer dat eiser negatieve ervaringen ondervond met de Iraanse autoriteiten ten tijde van zijn vrijlating in 2019 is geweest. Daarna heeft eiser twee jaar lang, tot zijn vertrek in 2021 uit Iran, zonder noemenswaardige problemen In Iran kunnen leven. Ook heeft eiser Iran tot twee keer toe legaal kunnen verlaten. De minister stelt terecht dat hieruit niet de conclusie kan worden getrokken dat eiser gezocht wordt door de Iraanse autoriteiten. Niet is gebleken van enige negatieve belangstelling aan de kant van de Iraanse autoriteiten. Ook ter zitting heeft eiser, desgevraagd, niet nader kunnen onderbouwen waaruit concreet zou blijken dat de Iraanse autoriteiten naar hem op zoek zijn. Dat het onderzoek naar hem mogelijk gepauzeerd is en dat hij alsnog mocht reizen tijdens het onderzoek, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden en in het licht van hetgeen hierboven is weergegeven onwaarschijnlijk.
Heeft de minister terecht geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade aangenomen vanwege de afwending van de islam en eisers nieuwe geloofsovertuiging?
10. Eiser betoogt dat hij al geruime tijd in Nederland is en gewend is geraakt aan de vrijheid van meningsuiting. Aan omstanders vertelt eiser niet dat hij van zijn geloof is afgewend, maar wel aan vrienden en bekenden, met name nu hij heeft gezien dat dat hier zonder problemen kan. Bij terugkeer naar Iran zal eiser daarom ook aan mensen die hij kent vertellen dat hij zich heeft afgewend van de islam. Eiser betoogt dat hij daardoor het risico loopt dat de Iraanse autoriteiten daarachter zullen komen en hem zullen vervolgen. Eiser voert dan ook dat hij vanwege zijn geloof aangemerkt moet worden als vluchteling.
10.1
Verder betoogt eiser in dit verband, onder verwijzing naar openbare bronnen en ambtsberichten, dat hij bij terugkeer gevaar loopt op een risico van schending van artikel 3 van Pro het EVRM [10] . Eiser stelt dat hij het mogelijk is dat zijn afwending van de islam en zijn geloofsuiting bij de autoriteiten opvallen en dat hij bij terugkeer een risico loopt om ondervraagd te worden. De ondervragingen verlopen niet zachtzinnig waardoor eiser gedwongen zal worden om te praten over zij afwending van de islam en zijn geloof. Eiser stelt dat hij een vriend heeft benaderd die voor de Iraanse autoriteiten werkt, die op zijn beuert weer een kennis heeft benaderd die navraag heeft gedaan. Daaruit volgt dat de kennis aan de vriend van eiser heeft verteld dat er een arrestatiebevel jegens eiser is uitgevaardigd en dat er een gevangenisstraf is uitgesproken. Eiser stelt op dit punt in bewijsnood te verkeren omdat hij deze stukken niet kan indienen.
10.2.
Ook deze beroepsgronden slagen niet. De rechtbank overweegt eerst dat eiser in zijn asielrelaas naar voren heeft gebracht dat hij in god gelooft en dat er sprake is van een nieuw geloof waarbij de eenheid in één god van belang is. Dit is door de minister terecht als asielmotief onderscheiden. Desgevraagd is ter zitting door eiser naar voren gebracht dat hij gelet op het voorgaande zijn, in de beroepsgronden, gedane betoog dat sprake is van atheïsme, niet juist is. De minister heeft verder op zitting aangegeven dat de afwending van de islam als afvalligheid is beoordeeld. Dat betekent dat moet worden aangenomen dat eiser zich heeft afgewend van het geloof waarmee hij is opgegroeid en/of dat hij eerder heeft aangehangen of waarbij hij in de ogen van zijn sociale omgeving of de overheid aangesloten behoort te zijn.
10.3.
Zoals blijkt uit jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2022:93) moet de minister bij afvalligheid, onderzoeken en beoordelen of de vreemdeling gevaar loopt bij terugkeer naar Iran omdat hij zich heeft afgewend van de islam. In informatiebericht (IB) 2023/35 (risico bij terugkeer naar Iran voor (toegedicht) afvalligen) is onder meer opgenomen dat wordt onderzocht en beoordeeld of de uitingen van de afvalligheid van vreemdelingen van wie de afvalligheid geloofwaardig is geacht die ervoor zouden zorgen dat zij in de negatieve aandacht zouden komen te staan van belang zijn voor het behoud van hun religieuze identiteit, hoe en waarom de vreemdelingen in het land van herkomst uiting gaven aan hun overtuiging en zij dit in Nederland hebben gedaan en of en waarom zij dit bij terugkeer (anders) zouden willen doen.
10.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Daartoe heeft de minister van zwaarwegende betekenis kunnen vinden dat eiser zelf heeft verklaard dat hij hiervan geen (grote) problemen heeft ondervonden in Iran en dat hij bij terugkeer ook geen problemen verwacht [11] . Anders dan door eiser is betoogd, volgt uit het ambtsbericht dat afvalligheid de maatschappelijke en juridische positie niet beïnvloedt, er geen maatschappelijke druk is om islamitische rituelen uit te oefenen en er niet direct problemen kunnen voorkomen als iemand doorgaans de islam niet praktiseert. [12] Daarnaast blijkt uit de verklaringen van eiser niet dat hij bij terugkeer naar Iran van plan is de afwending van de islam actief uit te dragen dan wel te uiten. Zo heeft eiser op de vraag of hij omstanders actief vertelt dat hij geen moslim meer is, geantwoord dat hij dat niet doet [13] . Ook heeft de minister bepalend kunnen achten dat eiser tot twee keer toe Iran legaal heeft kunnen uitreizen, waardoor niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer een risico loopt op ondervraging. Verder is van een arrestatiebevel, inreisverbod of gevangenisstraf niet gebleken. Voorts stelt de minister terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van zijn hier in Nederland ingediende asielaanvraag. De minister stelt op grond van dit alles dan ook terecht dat niet is gebleken dat eiser (of zijn familie) onder de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staan. Van bewijsnood is evenmin gebleken. Eiser is sinds 29 maart 2022 in Nederland en heeft ruimschoots de tijd gehad om alle benodigde informatie te verzamelen en in te dienen. Dat eiser stelt angst te hebben om zijn familie, vrienden of een advocaat in Iran om hulp te vragen om de benodigde documenten naar hem toe te sturen, is onvoldoende geconcretiseerd. De minister stelt dan ook terecht dat eiser onvoldoende inspanningen heeft verricht om bewijs te vergaren.
Heeft de minister eiser op geode gronden geen reguliere vergunning verleend?
11. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft vermeld op grond waarvan het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning niet ambtshalve is getoetst en dat er op dit punt een motiveringsgebrek is. Er is sprake van bijzondere individuele omstandigheden, nu eiser al gedurende langere tijd werkt in Nederland. Indien eiser Nederland moet verlaten, raakt hij zijn werk en inkomsten kwijt. De minister had moeten beoordelen of eiser in verband met zijn werk en inkomsten in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning.
11.1.
De minister heeft op paragraaf C1/4.8 Vc [14] gewezen waarin is bepaald dat bij een afwijzing van de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als (kennelijk) ongegrond volgens artikel 3.6a van het Vb [15] ambtshalve wordt beoordeeld of eiser in aanmerking kan komen voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op één van de gronden genoemd in artikel 3.6a, eerste lid, Vb. De minister heeft terecht en op goede gronden geweigerd om eiser ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen nu de vergunning die eiser wenst, niet onder de reikwijdte van artikel 3.6a, eerste lid, van de Vb valt. Van een motiveringsgebrek is dan ook geen sprake. Eiser kan, indien hij voor een ander doel in Nederland verblijf beoogt, zoals arbeid, een daartoe strekkende aanvraag voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning regulier indienen.

Conclusie en gevolgen

12. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169, en 7 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1028.
2.Zie bld. 17 van het combigehoor.
3.Zie bld. 23 van het combigehoor.
4.Zie bld. 27 van het combigehoor.
5.Zie bld. 28 van het combigehoor.
6.Zie bld. 32 van het combigehoor.
7.Zie bld. 22 en 23 van het combigehoor.
8.Bld. 23 van het combigehoor.
9.Bld. 23 van het combigehoor.
10.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
11.Zie bld. 26 van het combigehoor.
12.Zie bld. 84 en 85 van het algemeen ambtsbericht Iran, september 2023.
13.Zie bld. 30 van het combigehoor.
14.Vreemdelingencirculaire 2000.
15.Vreemdelingenbesluit 2000.