ECLI:NL:RBDHA:2025:2849
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte vervolgingsgevaar in Iran
Eiser, een Iraanse staatsburger, diende op 29 maart 2022 een asielaanvraag in, die de minister op 6 september 2024 afwees. De rechtbank behandelde het beroep op 18 februari 2025 en oordeelde dat de minister de afwijzing terecht baseerde op onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar.
Eiser stelde dat hij vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij een demonstratie en zijn afwending van de islam vervolgd zou worden. De minister achtte de identiteit en nationaliteit geloofwaardig, maar vond de verklaringen over bezoek aan zijn vader door autoriteiten ongeloofwaardig. De rechtbank bevestigde dat de minister de verklaringen terecht ongeloofwaardig vond en dat er geen concrete aanwijzingen waren voor een reëel risico op ernstige schade.
Daarnaast wees de rechtbank de klachten over het gehoor en het tijdstip van het voornemen af, en oordeelde dat de minister zorgvuldig heeft gehandeld. Ook werd het beroep op een reguliere verblijfsvergunning afgewezen omdat de minister dit ambtshalve niet hoefde te toetsen. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag wordt afgewezen.